Verhaal

Ziekenvervoer in de vorige eeuw in Zwartsluis

Auteur: 
Jaap Smit

Onlangs werd mijn aandacht getrokken door een bericht dat er een publicatie in voorbereiding is over het ziekenvervoer in NW-Overijssel in de periode voordat er sprake was van de nu zo gewone gereguleerde situatie met ambulancediensten. Bij een contact met de auteur van deze publicatie bleek dat hij zeer geïnteresseerd was in hetgeen ik zou kunnen inbrengen over het ziekenvervoer in Zwartsluis, waar mijn vader, Jan Smit, zich jaren mee bezig heeft gehouden. Uit nog aanwezige bescheiden en herinneringen van mijn zussen en broer, aangevuld met informatie die ik bij dokter Coumou kon inwinnen, heb ik bedoelde auteur een overzicht gestuurd. Enigszins aangepast volgt dat overzicht hier.

Voordat sprake was van goed geregelde ambulancediensten was er uiteraard al behoefte aan liggend vervoer van zieken, vooral als opname in een ziekenhuis noodzakelijk was. Heel vroeger zal dat met paardentractie zijn gegaan, maar toen in het begin van de twintigste eeuw de auto in beeld kwam werd vanzelfsprekend de mogelijkheid aangegrepen dat vervoer per auto te laten plaatsvinden.

Gedurende een periode liggend tussen 1930 en 1960 was het ziekenvervoer in Zwartsluis in handen van de firma Jac. Smit & Zonen. Het ziekenvervoer beperkte zich op een enkele uitzondering na tot patiënten die naar een ziekenhuis in Zwolle of Meppel moesten worden gebracht. De firma was de voortzetting van het smidsbedrijf van mijn grootvader, Jakob Smit (geb.1875). Rond 1930 werd de firma opgericht met als firmanten mijn grootvader en zijn zoons Jan (geb. 1900) en Cornelis (geb. 1904). Jan, mijn vader dus, begon binnen de firma een garagebedrijf dat in 1930 is gestart in de Kerkstraat, in het centrum van Zwartsluis.

Wanneer voor het eerst met liggend ziekenvervoer per auto is gestart is niet bekend. Wel bekend is dat in 1942 of 1943 een toen aangeschafte taxi van de firma is aangepast voor liggend ziekenvervoer. Deze taxi was een vervanging voor een zespersoons Ford, die in het begin van de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers is gevorderd. Die auto moet ook al ingezet zijn geweest voor het ziekenvervoer. De vervangende aanschaf betrof een  zespersoons Chevrolet van het bouwjaar 1939, kenteken E‑29292. Deze auto was uitgerust met twee klapstoeltjes direct achter de voorbank. Aanpassing van deze auto, telkens wanneer die voor liggend ziekenvervoer nodig was, geschiedde als volgt. De achterbank en een van de klapstoeltjes werden verwijderd. Via de kofferbak werd er een eenvoudig metalen frame ingeschoven en vastgeschroefd. Dit frame stond tegen de voorbank aan, de kofferbakklep kon net boven het andere eind worden dichtgeklapt. Op dit frame kon een brancard worden geschoven, die bestond uit een metalen frame met enkele rolletjes in beide zijstukken, bespannen met een canvas zeil. Een te vervoeren patiënt werd op die brancard gelegd en zo nodig vastgebonden, bijvoorbeeld als de patiënt vanuit een bovenhuis een trap af moest worden gedragen, en via de kofferbak in de auto geschoven. Een van de twee klapstoeltjes bleef vrij voor de begeleiding, vaak een familielid, soms een wijkverpleegster of een arts. De auto werd in de regel bestuurd door mijn vader. Er zijn monteurs/chauffeurs in dienst geweest die incidenteel werden ingezet. Broer Cornelis viel soms in en later ook zoon Roel, die in het bedrijf meewerkte. Van een speciale opleiding voor dit vervoer was bij deze personen geen sprake.

Bij de voorzieningen die er vandaag zijn is dit uiteraard een primitieve manier van ziekenvervoer. Dokter Coumou, destijds huisarts in Zwartsluis, herinnert zich dat artsen zich wel een oordeel hebben gevormd over ziekenvervoer op deze wijze. Toen hij in 1942 de huisartsenpraktijk van dokter Van Muiswinkel overnam heeft hij met zijn voorganger en met de andere huisarts van Zwartsluis, dokter Schut, overleg gehad hierover. Hun conclusie was dat deze vorm van vervoer aanvaard kon worden, binnen de mogelijkheden van die tijd.

Op deze wijze werd dus het liggend vervoer van patiënten uit Zwartsluis en de gehuchten en het platteland in de directe omgeving gerealiseerd. Voor zieken uit Belt-Schutsloot deed zich een extra probleem voor: Belt- Schutsloot was toen nog niet ontsloten voor autoverkeer. Patiënten, die naar een ziekenhuis moesten worden vervoerd, werden eerst per boot over de Arembergergracht naar Zwartsluis gebracht, een afstand van vier à vijf kilometer. Ze konden dan in de auto worden overgebracht op het dichtstbijzijnde punt waar boot en auto dicht genoeg bij elkaar konden komen. Bij uitzondering kon een patiënt toch per auto worden opgehaald: in zeer strenge winters, wanneer met de auto over de Arembergergrachtkon worden gereden.

In de loop van de Tweede Wereldoorlog stokte de aanlevering van benzine. Er moest voor de brandstofvoorziening worden overgegaan op een andere bron: de gasgenerator. Aan de achterkant van de auto werd het chassis verlengd met een constructie waarop een generator werd geplaatst, een soort kachel, cilindervormig van ruim een meter hoog. Hierin werd cokes gestookt dat gas leverde voor het verbrandingsproces in de motor. Deze voorziening bracht allerlei extra problemen met zich. Zo moest voordat bruikbaar gas, waarop de auto kon  worden gestart, beschikbaar kwam de generator aangestoken worden en al een tijdlang voorgloeien. Daarbij was het soms nodig via een opening onder in de generator de boel op te poken. Tijdens zo’n actie kreeg mijn vader eens en felle steekvlam in zijn gezicht, die een flink deel van zijn haren deed verdwijnen en hem dagenlang een rood en gezwollen gezicht opleverde.

Dokter Coumou kon zich nog herinneren dat in de laatste fase van de oorlog het ziekenvervoer per auto enige tijd niet mogelijk was. Waarom dat het geval was is voor hem en mij niet duidelijk. Misschien dat een van de lezers dat nog weet? Hij heeft toen patiënten behandeld die hij anders naar een ziekenhuis zou hebben doorgestuurd, waarbij met name moet worden gedacht aan botbreuken. Die werden dan door hemzelf gezet en in gips verbonden. Verder wist hij zich te herinneren dat tenminste in één geval vervoer naar een ziekenhuis per paard en wagen van Pluim heeft plaats gevonden.

Na de oorlog beschikten de ziekenhuizen vanaf zekere tijd over ambulances. In gevallen dat vervoer met de aangepaste taxi om medische redenen werd afgewezen werden die opgeroepen.

De in 1942 aangeschafte Chevrolet heeft dienst gedaan tot 1957. In dat jaar werd ter vervanging aangeschaft een zespersoons Dodge, bouwjaar 1946. Ook deze Dodge had twee klapstoeltjes en werd op dezelfde wijze als de Chevrolet geschikt gemaakt voor inbouw van de brancard. De Dodge werd in 1962 buiten gebruik gesteld, kort voordat het garagebedrijf door de gebroeders Smit werd overgedragen aan het transportbedrijf Marsman. Wanneer de Dodge voor de laatste maal voor ziekenvervoer is gebruikt, is niet bekend.

Reacties