Verhaal

Voor ik het vergeet.

Voor ik het vergeet.

Ik zie de jongens van Aronius nog vaak door het Buitenkwartier lopen. Aäron de zoon van Wolf Aronius uit het Klein Lageland en Salomon, de zoon van Jacob Aronius van het Westeinde. Het waren neven van elkaar, want de vaders waren broers. Aäron behoorde in mijn ogen tot de wat ouderen, want hij was van 1923. Salomon was maar een jaar ouder dan ik; hij was geboren op 9 maart 1929. Aäron was een wat lange jongen, die gemakkelijk contacten legde en zich niet afzonderde. Toen hij de leeftijd had dat hij aan het werk kon, vond hij een plaatsje bij bakker Daniël Blei in het Buitenkwartier waar hij tot midden 1942 is gebleven. Salo was, zo ik hem nu nog herinner, een knappe jongen, altijd keurig gekleed maar meer een eenling, die de eenzaamheid in zich had.

De Joodse school stond er nog wel, maar er waren bijna geen joodse gezinnen meer in Zwartsluis en Aäron en Salo waren nog de enige joodse jongens in Zwartsluis. Het was wel eens anders geweest, want veel vroeger waren er soms meer dan 10 leerlingen.

Beide jongens zijn op de Openbare Lagere School geweest, die toen in de Schoolstraat stond. Vroeger moest je naar de lagere school als je vóór of op 1 april 6 jaar was geworden en zo ging Salo in 1935 naar school.

Maar laten wij bij het begin beginnen en het verhaal van Salomon eens vertellen. Salomon, die door ieder in zijn omgeving Salo werd genoemd, werd geboren op 11 maart 1929 om 15.00 uur, zoals de geboorteaangifte precies aangeeft. Bij die aangifte waren naast zijn vader de getuigen Wolf Aronius en Berend Greveling aanwezig.

Het geboortehuis stond in wijk 2, naar wij aannemen Westeinde 65, waar hij ook opgroeide. Zijn vader was, zoals wij al vertelden, Jacob Aronius die geboren was in Zwartsluis op 31 augustus 1898 en zijn moeder was Cesina van Gelder die geboren was op 6 mei 1896 te Beilen. Ze waren getrouwd op 12 augustus 1927 in Beilen. Over de vroege jeugd van Salo is weinig te vertellen. Zijn vader was veel bij de weg met zijn handel in manufacturen e.d. terwijl moeder de winkel op het Westeinde erbij deed. Nog is de woning en gevel geheel intact; net zoals het in Salo's jeugd was. Hij speelde wel met vriendjes uit de buurt zoals de jongens van Moorman of Van Eerde. Er was altijd wel wat te spelen of te beleven.

De scheepvaart door de Arembergersluis was ook nog voor grote schepen met mast en zeilen, en de ophaalbrug ging heel wat keren per dag naar boven om er een schip door te laten. Het was een machtig gezicht als de schepen vanuit het Zwartewater op de Wha op kwamen varen. Dat konden ze zelf zien vanuit hun woonkamer. Als het stormde en het water kwam opzetten, sloeg het soms tegen de walkant achter de woning. Natuurlijk is Salo ook wel eens bang geweest als het zo tekeer ging en het water dreigend werd.

Wij vonden als kinderen maar raar dat Salo op"zaterdag zondag had en voor hem de zondag een gewone dag was. Je merkteer als buitenstaanders niets van maar op vrijdagavond begon het al. Je wist dat het heel wat voor hen betekende, maar goed begrijpen deden wij het niet. De sabbatdag stond bij de vader en moeder van Salo in hoog aanzien en werd intens gevierd ook bij de oom en tante in het Klein Lageland was iedere sabbat een bijzondere dag' Er werd gelezen uit de Thora en er werd ook naar geleefd. De Thora was een wezen zoals zij de joden' het wezen van de Thora waren.

Beide families leefden teruggetrokken. Het was als of zij voortdurend onderweg waren, alsof het geheim van hun hart niets met de dingen om hen heen te maken had. Ze gingen bij elkaar op visite en wisten wat ze aan elkaar hadden en zo was de sfeer ook. Soms kwamen logés zoals nichtje, de dochter van oom Wolf, die in "Het Apeldoornse Bos de Joodse verpleeginrichting in Apeldoorn, als verpleegster werkte en dan weer vriendinnen meenam. Samen gingen ze natuurlijk op Sabbat naar de kleine synagoge in de Baanstraat.

Dan komt de grote dreiging vanuit Duitsland in het midden van de jaren dertig. Iets om veel angstiger voor te zijn dan voor de zwaarste storm en het dreigende water. Het zal altijd wel een geheim blijven wat Salo in zijn jonge jaren hiervan geweten heeft en of zijn ouders alles openlijk in het bijzijn van hem bespraken. In de donkere avonden zullen Jacob en zijn vrouw als Salo naar bed was, gesproken hebben over de toekomst' Dan op 10 mei 1940 als Salo 11 jaar oud is, vallen de Duitsers Nederland binnen en is ook ons land betrokken bij de, wat later zal blijken grootste wereldbrand. Veel mensen hadden het al lang zien aankomen en wisten dat ook Nederland een zeer zware tijd tegemoet zou gaan.

Wij als jongens vonden die spanning nog wel interessant, ook al voelden wij aan de angst van onze ouders wel dat het iets was om bang voor te zijn.  Die angst was vele malen groter bij de ouders en oom en tante van Salo want zou die haat tegen het joodse volk, die in Duitsland tot uitbarsting was gekomen, ook in Nederland komen? Ze wisten in ieder geval wel dat van de Duitse legers niets maar dan ook niets goeds te verwachten viel. Toen het Nederlandse leger zich terug moest trekken hadden ze de Kolksluisbrug en de brug over de Staphorstersluis met dynamiet de lucht in laten vliegen. Een geweldige klap was dat want zelfs op het Westeinde was het te horen geweest.

Toen Salo 11 jaar was ging hij naar de Mackay-school in Meppel. Het leren ging in Zwartsluis niet zo als het zou moeten en om nog meer te kunnen leren zou het goed voor hem zijn om naar de school in Meppel te gaan. Een moeilijke beslissing voor zijn ouders. Iets waar ze nog wel een slapeloze nacht van hebben gehad. Ook dit staat mij nog duidelijk voor de geest hoe Salo met zijn tasje met brood naar het station liep om met de bus naar Meppel te gaan. Als dit bij ons thuis ter sprake kwam zei mijn moeder altijd: ja hij moet zo mooi kunnen zingen, net of hij voor zangles naar Meppel ging. En dat kon ze met een zodanig overtuiging zeggen, net of ze hem in het Concertgebouw had gehoord.

Maar toen het zo ver was waren de omstandigheden al zo dat er overal in Nederland allerlei beperkende maatregelen voor de joden waren genomen. Ook in Zwartsluis was dat het geval en voor hen kon je al niet meer over vrijheid van handelen spreken. Een paar huizen van hen af woonde een N.S.B.-groepsleider van het district. Dit kon ook als een bedreiging worden gevoeld. Salo moest net als iedere joodse jongen een ster dragen. Een grote ster in gele kleur met daarop in vreemde letters "Jood" aangebracht. Stel je eens voor om als 1 1-jarige jongen een grote ster op de borst met daarop voor iedereen kenbaar dat je jood was! In feit begon de Jodenvervolging in Zwartsluis op 16 januari 1941. Op die datum komt er bericht van de inspecteur van het bevolkingsregister J.L. Lens, dat de joden zich moeten aanmelden. Op 24 februari hebben ze op het gemeentehuis de aanmeldingsformulieren, die ze kosteloos kunnen ophalen. Alleen bij het inleveren moet er een gulden per formulier betaald worden aan legeskosten. Wie zich niet aanmeldt, kan een straf krijgen van maximum 5 jaar gevangenisstraf. Het wordt gezien als een misdrijf ("Verbrecher" staat er op het bericht). Salo's vader moet de formulieren ook invullen. Op het formulier staan de namen van Salo, zijn vader en moeder maar ook van z'n oom Mozes die op hun adres ingeschreven staat. Op 22 maart verstuurt de gemeente Zwartsluis het ontvangen formulieren aangetekend naar het bevolkingsregister; de ontvangen legesgelden, mag de gemeente zelf houden.

Een radio mag er niet meer in huis zijn. Ook de radio van het merk "Saba" die in huis was moest worden ingeleverd. Op 28 april brengt vader Aronius de radio naar het gemeentehuis en locoburgemeester Meulink tekent voor ontvangst. Er zijn 4 toestellen ingeleverd en deze moeten naar Groningen verzonden worden. De burgemeester doet er een briefje bij dat hij de verpakking wel graag terug wil hebben. De joden in Nederland mogen niet in zwembaden, aan stranden, in hotels, plantsoenen en openbare gelegenheden komen. Overal zijn borden aangebracht "Voor joden verboden". Ook in onze plaats hangen op enkele plaatsen van die plakkaten.

Begin januari 1942 komt er bericht, dat de joden ook geen fiets in het bezit mogen hebben. Deze moesten ingeleverd worden bij het gemeentehuis. De fiets, een "Presto" werd ingeleverd op 24 juni 1942' Locoburgemeester J. Meulink tekende voor ontvangst. Nauwkeurig wordt aangegeven dat het een fiets met bagagedrager is. Aronius had deze nodig om handel te vervoeren. Dan zou ja zeggen: dan ga je toch met de bus of zoals in die dagen nog wel gebruikelijk was, met paard en wagen, maar dat mocht ook niet-meer. Zelfs als de koetsier uit vriendelijkheid zou zeggen ”kom maar met mij mee rijden" dan mocht dat nog niet. Ook een fiets van de buurman mocht niet geleend worden.

Zo mocht Salo ook niet meer met de bus naar school. Op 6 juli 1942 komt het bericht dat hij geen enkel onderwijs meer kan volgen. In heel Nederland was de verordening van kracht dat de joden niet meer naar de kapper mochten, tenzij er een Joodse kapper was. Als die er niet was moest er een bepaald uur vastgesteld worden voor joden. Ook in Zwartsluis was dit bericht binnen gekomen. Wij weten niet of de Sluziger kappers zich hier wel aangehouden hebben.

Op 14 oktober komt de"opa van Salo te overlijden. Hij werd verpleegd in het al eerder genoemde "Het Apeldoornse Bos" Opa Aronius was geboren in Zwartsluis op 11 mei 1859.

 

Op' 22 juli 1942 gaat oom Mores, die geboren was op 13 september 1896, Naar het Apeldoornse Bos. Hij zal daar als verstandelijk gehandicapte een goede verzorging krijgen. Dat dit maar voor een paar maanden zou zijn, wisten ze toen nog niet.

Salo’s vader, oom Wolf en Salomon Brest, een andere jood uit Zwartsluis, gaan op 31juli 1942 naar het kamp Conrad bij Staphorst. De controle is streng; de gemeente krijgt zelfs bericht dat ze zijn aangekomen- Het afscheid zal zwaar geweest zijn, maar ze gingen deze weg in vol vertrouwen. Misschien hebben ze wel gezegd "tot ziens". Ze wisten dat ook de achterblijvers eens weg zouden moeten. Neef Aäron gaat op 17 augustus 1942 naar het werkkamp Ruinen, spoorstation Hoogeveen; ook wel kamp Geesbrug genoemd. Op maandag 17 augustus "1942 gaat Salo met zijn moeder Tante Carolien, de vrouw van oom Wolf, naar kamp Westerbork' Als handbagage mochten ze meenemen: een koffer of rugzak, een paar werkschoenen, en een paar, twee stel ondergoed, twee stel beddengoed, twee wollen dekens, twee overhemden, een werkpak, een stel eetgerei (lepel, vork, enz.), een drinkbeker, twee handdoeken, drie zakdoeken en een pullover. Voor vrouwen was er een andere lijst. Het is ons niet bekend of ze familie in Westerbork hebben ontmoet.

Jacob, de vader van Salo, wist het kamp Conrad te ontvluchten. Hij komt in het donker naar zijn woning aan het Westeinde, maar daar is niemand meer. Op 13 oktober 1942 wordt hij in 't Bosch nabij Zwartsluis gearresteerd en naar Arnhem overgebracht. Er werd toen wel gezegd dat iemand hem verraden had. Hij gaat van Arnhem naar Westerbork, maar weet ook daar te ontkomen. Met hulp van een predikant uit Beilen, waar zijn vrouw vandaan kwam, weet hij in Wijster een onderduikadres te vinden. Hij blijft in Wijster tot na de oorlog. En dan begint voor Jacob Aronius een tijd van grote twijfel en verlangen. Zouden de anderen er ook doorgekomen zijn? Zouden ze nog leven en waar zullen ze te vinden zijn?. Maar ze komen niet terug. Salo is van Westerbork naar Auschwitz vervoerd, samen met zijn moeder en zijn tante. Vermoedelijk zijn al op 2 oktober 1942 geheel in tegenspraak met eerder gedane beloften, 5000 joodse mannen, samen met hun vrouwen en kinderen (totaal 14000 personen) uit Nederland weggevoerd. Al op 8 oktober 1942 wordt Salo samen met zijn moeder en tante vermoord. Oom Mozes werd tegelijk met andere bewoners van "Het Apeldoornse Bos" weggevoerd. Hierbij was ook Sara Aronius, de dochter van Wolf Aronius, een nicht van Salo, die verpleegster was in genoemd tehuis. Wolf Aronius vindt op 20 december 1942 in Malapane de dood en zijn zoon Aäron al op 30 september 1942 in Auschwitz. Tot begin april 1943 zijn er nog 3 joden in Zwartsluis aanwezig, t.w. Joseph Hammelburg, Saartje Overweg en Rozetta Brest-van Dam. Op 8 april 1943 gaan ze naar het kamp in Vught en op 14 mei 1943 worden ze vermoord in het kamp Sobibor.

Direct na het verlaten van de woningen wordt het achtergebleven huisraad door werknemers van de gemeente naar de synagoge gebracht. Inventarisatie vindt plaats en de lijsten zijn nu nog te vinden in het archief van de gemeente Zwartsluis. Al spoedig is er veel vraag naar de vrijgekomen woningen. Er zijn diverse mensen die er in willen wonen, maar er waren wel voorwaarden aan verbonden. De woningen werden in eerste instantie gekocht door leden van de N.S.B. in Zwartsluis en omgeving. Aan hen was ook de voorkeur wie de woning mocht betrekken.

Op 7 mei 1945 vraagt Jacob Aronius de gemeente Zwartsluis garant te zijn tegenover een aannemer, die z'n woning zal repareren. De kosten zijn ongeveer f. 300,--. De garantie wordt gegeven maar als de gemeente moet betalen, zal hij een schuldbekentenis moeten tekenen.

†  D. Driessen.

Reacties