Verhaal

Stoomtram Zwolle-Blokzijl verbonden met het achterland 1914-1934

Auteur: 
J. Spiekman ±

“Vertrekken!" Riep de stationschef Roelofsen eindelijk als zijn dochters met wapperende kleding en een open boekentas op het uiterste nippertje kwamen aangerend. De chef die boven het stationsgebouw woonde, moest wel eerst ettelijke malen naar boven kijken, tussentijds een blik op zijn zakhorloge, of de dames van plan waren te komen.

Op een keer was één van de meisjes erg laat. En gaf de chef toch eindelijk het sein om tot vertrek. En de tram reed al en daar kwam nog de laatste slaapkop aangerend. De chef van de tractie, de heer koster, die meestal ook aanwezig was bij het vertrek. Kon nog net de rode handel van de luchtkraan van de achterste wagen opentrekken zodat de tram tot stilstand kwam. De dochter van de chef kon nog mee naar school. Later vertelde zij dat ze expres zo laat was. Die dag was een repetitie op school, en ze had geen zin om die temaken en wilde de tram zonderhaar laten wegrijden.

Bij de indienstelling van de tram Zwolle- Blokzijl in 1914 was Zwartsluis de standplaats van de chef. Dit was toen de heer Wandscheer. Na zijn overlijden in 1921 werd de heer Roelofsen die toen de chef was van het station Vollenhove, benoemd tot chef in Zwartsluis.

In het begin woonde de familie op De Veldweg, waar de trammaatschappij een hele rij huizen had laten bouwen voor de personeelsleden. De weduwe mocht van hem best nog een poosje boven het station blijven wonen. De nieuwe chef nam intrek in de ‘tramhuizen”. Later werd van hogerhand toch beslist dat mevrouw Wandscheer de ambtswoning moest ontruimen. Beide families hebben toen maar geruild om het probleem op te lossen. Na opheffing van de tram lijn werd de heer Roelofsen overgeplaatst naar Nieuwveen, na een dienstperiode van ongeveer 14 jaar te Zwartsluis.

Chef Roelofsen was altijd erg actief. Hij sjouwde vele malen mee om de manden met vis in de goederen wagons te laden om dan als een haas naar de Fa. Roskam te fietsen om de nog ontbrekende vrachtbrieven te halen, en de vrachtbrieven persoonlijk in de wagons nog op de labels van de vismanden te plakken met de dextrine kwast. De vis moest op tijd weg, zei de chef, anders hadden de mensen een geweldige strop als ze niet op tijd konden vertrekken. Vaak liep zijn vrouw hem na op het emplacement met een beker koffie.

Een enkele maal moest hij ook de lijn inspecteren en dan gebeurde het wel eens dat hij bleef steken bij De Noorde, de Kreiger of de Moespot¹. Hij moest dan met de volgende tram terug naar het hoofdstation.

Overdag stonden er altijd 2 á 3 goederenwagens gereed om beladen te worden. Grote bussen koffiestroop van de Buismanfabriek, pakketten kokosmatten van de firma Nekeman, manden vis van Roskam, mattenkloppers van de Graaf, kerkzakken van, Van der Stouwe, houtdraaiwerk van Buit gesmede pikhaken en marlpriemen (gereedschap om touw te splitsen) van smederij Breman.

Achter Hotel Roskam was een verhoging, de zogenaamde veelading, waardoor het vee gemakkelijk in de wagons geladen kon worden voor de markt in Zwolle.

Behalve over de goederenwagons beschikte de tram pok over hekwagens, lange open wagens. Zelf reed er met verschillende de trams een eigen postwagen mee, welke bezet was door een postambtenaar die onderweg de post sorteerde. Deze laatste wagen was ook ingericht als bagagewagen waarin koffers en fietsen vervoerd konden worden

Op het emplacement was er behalve een stationsgebouw ook een aangebouwde centrale werkplaats. Met een watertoren om de locomotieven tijdens het oponthoud van het nodige ketelwater te kunnen voorzien. En er was een grote kolenopslagplaats voor grove kolen en grote briketten. Het was een groot emplacement met diverse aftakkingen en wissels. Een grote remise waarin de rijtuigen onderdak vonden, een speciale locomotief herstelplaats met een eigen kantoor voor de chef van de tractie. Een badhuis voor het personeel en natuurlijk een centrale verwarming voor de gebouwen en het huis van de chef. Dan was er nog een opslagplaats van materialen, zoals spoorbiels, reserve railstaven enzovoort.

De maatschappij had zelf een eigen tram doktor. Pietje van dalen, die eerder scheeparts was geweest, hij woonde in de Schans en had ook een particuliere praktijk opgezet.

Andere chefs die we nog kunnen herinneren waren de heren van het ’t Land te Hasselt, die later overgeplaatst naar het station Veerallee te Zwolle en de heer Rutel te Blokzijl, hij was ook de eerste leider van de gymnastiekvereniging ZGV te Zwartsluis.

De locomotieven, in de volksmond de “machines” genoemd waren van het fabricaat Hanomag. Op de stoomketel was een koperen plaat bevestigd met het opschrift “Maximumsnelheid 30 km per uur”. Geen wonder dat een rit Zwartsluis Zwolle een vol uur duurde, inclusief oponthoud op het station te Hasselt en de stopplaats de Velde, Ruimzicht en Lage weg bij Zwolle-Frankhuis.

Wanneer ’s morgens om kwart over zeven de machinist op de fluit drukte op het Westeinde ter waarschuwing voor de brugwachter van de Arembergsluis, dan pas kwamen de scholieren die met de tram mee moesten naar Zwolle uit hun bed. Toch gebeurde meer dan eens dat enkele langslapers nog te laat op het station aan kwamen. Geen nood, ze dan nog aangehold als de tram de brug over de Kolksluis was gepasseerd met de jas, de stropdas en boekentas onder de arm. Deze attributen werden eerst op het balkon van het rijtuig geslingerd en dan stapten de scholieren rustig op. Op het bochtige traject Kloosterzijl- Hasselt gingen sommige jongens met eens op een sukkeldrafje naast de tram mee lopen. Als de machinist dat dan zag ging de stoomafsluiter iets verder open en moesten de jongens weer maken dat ze weer in het rijtuig kwamen.

Moedwillige vernielingen kwamen bijna niet voor. Men was in die tijd ook erg zuinig. Als het personeel in de remise een nieuwe zeemvroeg omdat de gaten te groot waren, moesten ze eerst bij de chef komen, waarop deze naar zijn vrouw ging om te vragen of de gaten nog konden worden dicht genaaid of gerepareerd konden worden. Door het inzetten van andere stukjes.

Blokzijl was indertijd een belangrijke klant van de tram. In Blokzijl was een houthandel en zagerij van de Gebroeders Loos. Vele wagon ladingen op speciale lange wagens voor lange sparren werden van Zwolle naar Blokzijl vervoerd. Op een keer warren de stammetjes wat te ver doorgeschoven. De tram kwam van Zwolle over een betonnen viaduct voor de Kolksluis. Bij het oprijden op de trambrug bleef een stam haken achter de ketting waaraan de balans met het bruggedeelte was verbonden. De ketting knapte af en de balans kwam naar beneden bovenop de goederentram. Het heeft enkele dagen geduurd eer dat de schade aan de brug hersteld was.

In de tram hebben zich heel wat tafereeltjes afgespeeld. Er was een tweede klas en een derde klas. Een bepaalde groep reisde op abonnemententen met de vroege tram naar Zwolle. In de weekenden zat de derde klas met visverkopers uit Blokzijl en Vollenhove. Deze handden hun vismanden op schoot en daar moest je dan naast zitten. Dan stonk je verder de gehele dag naar vis. Ook natuurlijk boeren die naar de markt gingen, waarbij hun vrouwen beladen met slopen en tassen, met ingekochte spullen een groot deel uitmaken van het reizende plubliek op de weekeinden. Daar tussen moest je als schollier ook nog leerboeken raadplegen, waarvan natuurlijk niet veel terecht kwam.

In de tweede klas zaten de heren, commissarissen van de tram, meestal de burgemeesters of andere notabelen van de aan de lijn liggende plaatsen, op weg naar een vergadering op het kantoor van de president commissaris Mr. Gratema te Zwolle, onder anderen waren dat de burgemeesters Bulten van Blokzijl, Mr. Te Cate van Vollenhove, Oprel van Zwartsluis en diverse andere heren zoals ds. Hofstede uit Blokzijl. Seidel uit Vollenhove, houtrust uit Hasselt enzovoort. Maar de scholieren in deze coupé haalden iedere keer wat uit. Papieren propjes schieten tegen de krant van Seidel, of mikken op de neus Ds. Hofstede. Ook werd er weleens gewerkt met stinkbommetjes of kochten de knapen in Zwolle een pijp met de nodige tabak om al blazend in de kop van de pijp binnen de korstte keren de hele coupé in een dikke rook te zetten. Dan werd er tussen de heren soms ruzie gemaakt omdat de één het bovenraampje open en de andere ze dicht wilde hebben. Dan moest de conducteur er aan te pas komen om de zaak te regelen.

Soms werden op de stations ook alle rolgordijnen naar beneden getrokken om te voorkomen dat er passagiers in de coupé zouden komen, of de voet werd tegen de deurkruk aangedrukt om de deur dicht te houden. Dan kwam de chef er aan te pas en werd soms het abonnement twee dagen ingehouden.

Er waren altijd twee soorten tweede klas coupé ’s één voor de dames en één voor de heren. Er waren natuurlijk ook meisjesscholieren die zaten weleens de deftige dames lekker te treiteren. Een zeer geziene dame werd tijdens de reis telkens uitgelachen, totdat bij Zwolle één van de oudere meisjes mevrouw waarschuwde dat ze haar hoed achterstevoren op had. O, daarom zaten jullie me te pesten.

Het verdere personeel van de tram bestond hier toen uit, behalve de chef Roelofsen, uit de chef van tractie Rodschild (later de heer Koster), verschillende machinisten onder anderen de heren Blanke, Heinen, Kolk, Eikenaar, Post, Gunneman: de schrijvers op het bureau Schouten en bloemen en de rangeerders Jan Hoen en Hendrik Kuiper. Bankwerker en verder werkplaatspersoneel waren minder beken doordat hun werkzaamheden meer binnenhuis werden verricht. Wel kennen wij nog namen als Arie Brokke, een forse kerel die ook voetbalde als rechtsback in het elftal van Z.S.V. De oudste dochter van chef Wandscheer had een baan op het kantoor van de werf van Goor & Spiekman. Ze is later gehuwd met een gemeentefunctionaris, de heer de Haan.

De dochter van Rodscheid die onder aan de dijk woonde op de hoek van het Singel was onderwijzeres, evenals de dochter van de burgemeester van Eck, die les gaf aan de Franse school in het Klein Lageland. Laatstgenoemde raakte een keer beklemd met de hak van haar schoen in de rails van de tram in het Buitenkwartier. De dame wenste haar schoen niet uit te trekken, en de tram kwam er aan. Deze moest stoppen en even wachten totdat de schoen met aanhang was verwijderd. In het Buitenkwartier hebben zich ook veel aardige toneeltjes afgespeeld. Vele voertuigen kwamen dikwijls klem te zitten, vooral in de hooitijd zat er nog wel eens een hooiwagen klem tussen de tram en de gevels van de huizen. Dan moest het halve voer hooi worden afgeladen om de zaak weer enigszins ruimer te maken en om weer de wagen verder op de stoep te krijgen zodat de tram weer kon rijden. Op het station kon men dan horen: “Ij zit vast in buten”.

Na jaren werd besloten de tram tot sneltram te bevorderen. De rit naar Zwolle duurde 50 minuten. Een kaartje derde klas naar Zwolle koste toen 35 cent retour 55 cent. De tweede klas was duurder. In 1934 kwamen de bussen. Trampersoneel werd overgeplaatst naar elders in den lande. Chef Roelofsen ging naar Nieuwveen (NH).

De mooie steengrijze Mercedes autobussen met dieselmotoren deden hun intrede. Er kwam een directeur met een diploma disseltechniek Ir. Venenbos. Chauffeur werden aangesteld en ook garage personeel. Alle rails werden opgebroken, ook in de remise die me teen dienst kon doen om de bussen onderdak te geven. We herinneren ons nog de namen zoals Jan Schuite, van der Linde, Driesen, Walling enz. Het vrachtverkeer ver voer werd overgenomen door de A.T.O. een onderdeel van Gend en Loos. Er kwam kantoorpersoneel. Als de jongste bediende kwam op kantoor C.M. Siebert die bij dezelfde maatschappij zijn carrière zou besluiten als directeur van de Noord West Hoek.

Ook in de oorlog. Er aanvankelijk nog voldoende gasolie, maar dat veranderde ook. Er werden houtvergassers achter op de bussen gebouwd, en met een lading brandhout moesten de chauffeurs dan op pad. Ook hebben wij in de bezettingtijd beleefd dat op een nacht de motoren van de autobussen onklaar werden gemaakt. De zoon van de burgemeester sloop op  zijn gympies om een en ander uit te voeren. De volgende dag natuurlijk geen vervoer. Een kolfje naar de hand van de reizende schooljeugd.

Artikel van ± J. Spiekman

Reacties