Verhaal

Schildersbedrijf J. Elbers te Zwartsluis

Schildersbedrijf J. Elbers te Zwartsluis

In 1986 wordt Schildersbedrijf J. Elbers uitgeschreven uit het handelsregister. Het einde van een bedrijf dat jarenlang actief is geweest in Zwartsluis. Hoe lang eigenlijk, vraag ik mij af. En met die vraag begint een zoektocht op internet, in oude kasboeken, aktes en toevallig bewaard gebleven documenten. Een zoektocht die soms meer vragen oproept dan beantwoordt, maar soms ook verrassende resultaten oplevert.

De naam Elbers is een zogenaamde patroniem, een naam die is afgeleid van een voornaam. Voor 1811 hadden veel Nederlanders geen vaste achternaam. Het was gebruikelijk dat zonen en dochters als ‘achternaam’ de voornaam van de vader kregen. Bijvoorbeeld: Jan, de zoon van Hendrik Pieters werd Jan Hendriks; zijn zoon Maarten werd Maarten Jans of Jansen, enzovoort. Na 1811, met de invoering van de burgerlijke stand, wordt de patroniem vaak de vaste achternaam, een naam die van vader op kind werd overgedragen.

Elbers stamt van de voornaam Elbert. In verschillende aktes en databases wordt ook de naam Elberts of ook wel Elbertz of Alberts aangetroffen, maar op basis van de handtekeningen uit oude aktes kan ik met zekerheid stellen dat de naam Elbers de juiste schrijfwijze is.

Dit is de handtekening van Lourens Elbers, geboren ca. 1755 in Hattem, zoon van Hendrik Elber(t)s en Johanna Louwrens Sanders. Daar loopt het spoor terug vooralsnog dood. Dit is de handtekening van Lourens Elbers, geboren ca. 1755 in Hattem, zoon van Hendrik Elber(t)s en Johanna Louwrens Sanders. Daar loopt het spoor terug vooralsnog dood.

Hoewel overleden in Hoogeveen (1821) heeft Lourens een groot deel van zijn leven in Zwartsluis gewoond en gewerkt. Hij trouwt in Zwolle met Jannetje Heldoorn en vestigt zich in 1783 als schilder in Zwartsluis. Lourens werkte in 1806 aan de Nieuwe Sluis, het deel van Zwartsluis dat toen nog onder het rechtsgebied van Hasselt viel. Laurens is daar ‘schilder en glasemaker’. In of na 1817(precies wanneer is niet bekend) vertrekt hij naar Hoogeveen om daar het schildersbedrijf voort te zetten. Hij vestigt zich aan de Slood.

                                                                                   Nieuwesluis vanaf Staphorstersluis

Een deel van zijn nazaten blijft als schilder actief in Zwartsluis tot de opheffing van het bedrijf in 1986. Het schildersbedrijf Elbers is dan meer dan 200 jaar actief geweest in Zwartsluis.

In de nalatenschap van Lourens Elbers bevinden zich 13 ‘schilderijgies’. Ik vermoed dat Lourens deze zelf heeft geschilderd. Enige jaren geleden is in museum Schoonewelle te Zwartsluis een tentoonstelling geweest van de schilderijen van Sluziger schilders. Van de familie Elbers werden schilderijtjes getoond van mijn opa Willem Elbers (een niet onverdienstelijke ‘zondagsschilder’) en mijn vader Jan Elbers. Andere schilderijen van voorouders zijn in de familie niet bewaard gebleven. Toch jammer als je vermoedt dat er nog ergens schilderijen zwerven van ene Lourens Elbers.

Lourens Elbers heeft één dochter, Martha Klaasina, en drie zonen; Hendrik, Klaas en Johannes. De laatste twee zetten het schildersbedrijf te Zwartsluis voort. Hendrik wordt schoolmeester en vestigt zich in Kamperveen, later wordt hij ‘bouwman’ in Olst.

(Akte 83/1821) “Klaas Elberts en Jannes Elberts, beide schilders wonende op de Zwarte Sluis in de Provintie Overijssel, benevens Jenneken van Warven, daglonersche wonende te Olst Provintie Overijssel, gehuwt geweest aan wijlen Hendrik Elberts in leven Bouwman gewoont hebbende te Olst, alsmede nog Antonie Slijkhuis Bouwman wonende te Welsum Provintie Overijssel, de eerste in qualiteit van voogdesse en de laatst gemelde als toeziende voogd, over de twee minderjarige kinderen van gemelde Jenneken van Warven bij wijlen haar Eheman Henrik Elberts in echte verwekt met namen Lourens in het tiende jaar en Johannes zeven jaar, tot welke posten zij verkozen waren bij Familie Raadsbesluit blijkens procesverbaal van den Heere Johan Jacob Schmaus vrederegter des Kantons Deventer Provintie Overijssel, van den agtentwintigsten Februarij agtienhondert seventien, den vijftienden meert van dat zelfde jaar behoorlijk geregistreert waarvan een afschrift aan dezen is vastgelegt tezamen Erfgenamen naar de wet van opgemelde overledene Laurens Elberts.”

Johannes woont aan de Nieuwe Sluis (Wijk 7 no. 100). Dat is de woning waar ook Willem Elbers en later diens zoon Jan met zijn gezin heeft gewoond.

                                                          Rechts de woning aan de Nieuwe Sluis

Over de periode tot ca 1850 is verder weinig bekend. Johannes overlijdt in 1828, Klaas in 1863. De weduwe van Johannes (Femmigje Brouwer) plaatst na het overlijden van Johannes een advertentie om het bedrijf voort te kunnen zetten. Haar zonen Hendrik en Herm zijn nog te jong om het bedrijf over te nemen.

 In 1860 draagt zij de bedrijfsleiding over aan de zonen Hendrik en Herm. Rekeningen worden afgetekend met ‘Gebroeders Elbers’. Hendrik trouwt in 1842 met Lammigje Doggenaar. Herm blijft ongehuwd. Hendrik en Lammigje krijgen 6 kinderen, waaronder drie zonen: Johannes, Harm en Jan. De laatste is mijn overgrootvader. Alle drie zonen treden in de voetsporen van hun vader en worden schilder. Uit oude kasboeken kan worden herleid dat ze alle drie op 12-jarige leeftijd aan het werk gaan in het schildersbedrijf. Dat is in respectievelijk 1862, 1867 en 1874.

Het kasboek over de periode 1854-1877 geeft een aardige inkijk in het schildersbedrijf uit de tweede helft van de negentiende eeuw; de klanten, de lonen, het personeel, de materialen die werden gebruikt, de afrekening met de klanten, de goederen die werden geleverd en ook de al of niet beschilderde vlaggen en wimpels die door de familie Elbers in opdracht van werfeigenaren, schippers en reders werden gemaakt en geleverd. In een aantal musea zijn vlaggen en wimpels bewaard gebleven (o.a. in het Fries Scheepvaartmuseum, Maritiem Museum Rotterdam, het Nederlands Scheepvaartmuseum Amsterdam en het Noordelijk Scheepvaartmuseum te Groningen. De vlaggen en wimpels worden toegeschreven aan Herm, maar zeker is ook dat zijn neef Jan vlaggen heeft geschilderd. Of de broers van Herm (Hendrik en Johannes) en/of zijn vader respectievelijk grootvader ook beschilderde vlaggen hebben geproduceerd is niet bekend. De traditie van deze ‘feestvlaggen’ stamt uit het eind van de 18e eeuw, dus onwaarschijnlijk is het niet.

                                                              Vlaggen geschilderd door Herm Elbers

De lokale middenstand, de gemeente, de kerk(en), de vele lokale werven en schippers waren de belangrijkste klanten van het schildersbedrijf Elbers, en dat is zo gebleven tot 1986. Maar soms werd er een uitstapje gemaakt naar Genemuiden, waar de zoon van Klaas Elbers (ook een Hendrik) een schildersbedrijf heeft en waarmee vaak werd samengewerkt. Maar men werkt ook in Meppel, Hasselt, Zwolle en op Urk. Om in Urk te komen werd gereisd via Amsterdam en Enkhuizen.

Ook in de 19e eeuw kende men het aangenomen werk, naast het werk op regiebasis. Klussen van de kerk en de gemeente werden vaak aangenomen samen met andere Sluziger schilders als Schurink en Estië. Daarin is in de loop der jaren weinig verandering gekomen. Zie bijgaande foto uit 1955 waarop verschillende Sluziger schilders poseerden bij een door hen gezamenlijk aangenomen werk, de Gereformeerde kerk.

                                                                               Sluziger schilders 1955

Maar op andere terreinen is wel degelijk veel veranderd, al was het alleen al het uurloon. Medio 1800 rekende men nog met dagloon. Dat bedroeg ca. f 1,- per dag, als de dagen korter werden kon dat zakken tot f 0,90. In het laatste kwart van de 19e eeuw wordt overgeschakeld op uurloon. Dit bedraagt in 1875 ca. 12 cent voor een volwassen schilder.

De meeste rekeningen werden contant betaald. Of het toen ook de gewoonte was om de fles jenever op tafel te zetten als een goede klant kwam betalen, iets wat ik mijn vader vaak heb zien doen, weet ik niet. Een enkele keer komt er een postwissel aan te pas, maar soms ook wordt de rekening geheel of gedeeltelijk betaald door de levering van goederen. Bijvoorbeeld een kompashuis (verkocht voor f 1,25), borstelwerk, aardappels, olie, mattegaren, teer, vlees, ham, kaas, een halve koe, varken, turf, kool, uien, bieten, appels en peren. Of er werd een tegenrekening geopend bij de lokale middenstand. Een mooi voorbeeld is de rekening uit 1877 voor schipper Bloemberg. Het schilderen van zijn nieuwe praam kost f 110,-. In de loop der jaren betaalt Bloemberg dit bedrag af met appels, peren en aardappelen. Als een schipper een nieuw schip liet bouwen werd er soms een lening verstrekt ter hoogte van de schildersrekening of een deel daarvan. Als zekerheid werd een hypoheek gevestigd op het oude schip, dat werd ingenomen door de werf waar het nieuwe schip gebouwd werd.

Ik, ondergetekende Derk Prins Scheepsbouwer wonende te Zwartsluis beken door deze als dat in de schuldbekentenis, onder berustende, ten laste schipper Jan Musjes te Zutphen is geregtigd H. Elbers en Zoon alhier voor ene somma van f 16,60 welke gelden moeten afgelost worden in zes achtereenvolgende jaren op de rente verschijndagen telkens 1 Dez. voor het eerst in 1875 en zullen verrenten met 5% van het hondert van het resterende kapitaal.                                                                                         1 Dez. 1874               D. Prins

Het schildersvak zelf lijkt een ambacht waarin de laatste eeuwen weinig is veranderd. De schijn bedriegt. Niet alleen de materialen zijn veranderd (bijvoorbeeld van lijnolieverf, die door de schilders zelf werd gemaakt van lijnolie en verfstof, naar de moderne verven op waterbasis; alkeahydeverven), ook de technieken (nu veel meer spuiten en rollen) en niet in het minst de objecten die werden geschilderd. In de 19e eeuw ontkwam bijna niets aan de kwast van de schilder. Een aantal voorbeelden van zaken waarbij heden ten dage geen mens het in zijn hoofd zou halen die te laten schilderen (voor zover ze nog deel uitmaken van een huishouden): tabakspot, muizenval, kachelpijpen, tafel, emmers, turfbak, droogbak, secreet, strooien hoed, vogelkooi, koffiekan, wieg, kinderstoel, kinderwagen, theebusje, theeblad, trekpot, spijkerbak, kleerstokken, stoof, lampen, klompen, tobbe, schaatsen, ketel, schilderijlijsten, mangelbak, slijpplank, bloempot, koedekken (geletterd), en zo kan ik nog wel even door gaan. Zelfs de huisnummers werden geschilderd:

Gebroeders Elbers en Hendrik Elbers te Genemuiden, aangenomen werk van de Stad Genemuiden in 1869:  den 1 Mei aangenomen te schilderen aan de Sas leuningen op de Uilespiegels brug, leuningen op de Nieuwe Zijl bij het Armhuis, 3 spuithuisjes in het eenen glas leveren, 3 wagthuisjes op de Nieuwe Markt pomp en boterkraam, met ijzers tusschen de palen ijzerwerk van de eene spuit, privee bij de paauw, 2 tolbomen en het nummeren van 321 huizen voor de som van 175 Guldens. Twee volle dagen genummerd ik en kleine Harm.

Daarnaast werden er veel zaken door de schilder geleverd. Voor een deel houden die direct verband met het schildersbedrijf (kwasten, penselen, olie, bouwpleister) maar toch ook goederen die je nu (mits nog verkrijgbaar) zeker niet bij de schilder gaat halen: gordijntouw, platte boender, kamerveger, spiegatenboender, bezem, bossen riet, waterpus, koperen spijkers, luiwagen, vliegenlijm, koperen knopjes, deurkrukken, kastranden, rattenkruid (aan schippers), lijmstokjes, etc. En natuurlijk vlaggen, vaak vleugels al of niet met een naam en/of de afbeelding van zon, maan en sterren, soms ook beschilderde feestvlaggen en wimpels van indrukwekkende afmetingen. Bijvoorbeeld voor J.R Bouwmeester in 1865:

“1 nieuwe vlag lang 6 El. Dezelve geschildert met Koophandel, Zeevaart en gouden letters in dezelve en een jukje, f 30,00; 1 nieuwe wimpel lang 9 El. Dezelve geschildert met Koophandel, Zeevaart gouden letters en rang met bijbehorende vergulden blokje, knopjes en rood lint, f 12,00” .

In Zwartsluis waren in de 19e eeuw veel werven, o.a. van Prins, Lier, van der Berg, van Veen, Slot en Broek. In de 20e eeuw zijn de namen vaak veranderd maar scheepsreparatie en nieuwbouw bleef tot het derde kwart van de 20e eeuw een belangrijke activiteit in Zwartsluis. Dus was er veel werk voor scheepsschilders. Werkten mijn voorouders in de 19e eeuw veel voor Prins, Lier en andere werven, in de 20e eeuw werkten mijn vader en grootvader voor werven als Van Goor en Spiekman, Visscher; Appelo, Breman, later Geertman en Poppen. In de 19e eeuw zijn het vooral pramen en tjalken die worden gebouwd. In de periode tussen 1854 en 1877 wordt 81 keer melding gemaakt van schilderswerkzaamheden aan een nieuw schip. Alleen al in 1876 worden er tenminste 7 nieuwe pramen en tjalken afgeschilderd door het schildersbedrijf Elbers.

Uit de kasboeken is op te maken dat het voor de schippers belangrijk was dat hun schip er goed uitzag. Er werd veel aandacht geschonken aan de opsmuk van het schip. In de klik werd vaak een “stukje” geschilderd, net als in de voorklap en voor de schoorsteen. Een enkele keer wordt aangegeven dat dit schilderstukje een schip betrof. De naamborden werden verguld en vaak stond de naam van het schip ook met gouden letters op de stuurpen. De kop werd getooid met een wijndruiventros, een bloem, een bloempot, een gouden ster, een tak, etc., het vleugelhek en de kloot werd verguld, soms ook wordt er melding gemaakt van een vergulde leeuw.

Het is jammer dat in de kasboeken maar zeer sporadisch de naam van het schip in de kasboeken is vermeld. Een paar heb ik er kunnen vinden:

Geziena Alijda: praam van Roelof Kreeft (1859); De Turfhandel: schipper Jan van Dijk (1859); Vrouw Aaltje: nieuwe praam van Hendrik Gortworst (1858); Vrouw Jentje: schipper Peter de Vries (1872); De Jonge Jan: schipper Jan Jzn.Vos (1872); Onderneming: schipper A. Langen uit Harderwijk (1872); De Drie Gebroeders: schipper Arend Ottink (1872); Vrachtzoeker: schipper Koob Spaakman (1872); De Turfhandel: schipper Jan van Dijk (1877).

Ook tref ik een aantal namen aan van scheepsonderdelen of attributen waarvan de betekenis mij onbekend is. Bijvoorbeeld: de vlepperij, karing, pleggarden.

In de periode tussen 1854 en 1877 wordt gemiddeld met zeven man gewerkt in het bedrijf. Behalve de familieleden zijn dat bijvoorbeeld Jan van der Woude, Flip Slagter, Klaas Vreeburg en Piet Anker.

Vanaf 1869 wordt het bedrijf gerund door Hendrik Elbers. Na 1873 door Hendrik Elbers en Zn. Ook na het overlijden van Hendrik in 1875 blijft de naam van het bedrijf vooralsnog ongewijzigd. Inmiddels werken dan alle drie zonen van Hendrik in de zaak; Johannes, Harm en Jan. Johannes overlijdt in 1884 evenals Harm, waardoor Jan, 23 jaar oud, er samen met ‘Herm ome’ (de ‘vlaggenschilder’) alleen voor komt te staan. Ook Jan zijn moeder, Lammigje Doggenaar, en zijn zuster Femmigje overlijden datzelfde jaar. Een waar rampjaar dus voor de familie Elbers. ‘Herm ome’ overlijdt in 1889 op 70 jarige leeftijd.

In 1885 trouwt Jan met Hendrikje Lassche. Samen krijgen ze 6 kinderen: Lammigje, Willem, Hendrik Johannes (2 maal, de eerste overlijdt op 2-jarige leeftijd), Margje en Catharina. Willem komt in 1902 op 14 jarige leeftijd in de zaak, Hendrik Johannes volgt 5 jaar later.

Begin 20e eeuw nemen Jan en Hendrikje de kruidenierswinkel aan de Nieuwe Sluis van Hendrikjes ouders over.

Ook het schildersbedrijf wordt daar gevestigd, in de steeg bevindt zich de schilderwerkplaats; de “varverije”. (Zie boven)

De kruidenierszaak wordt na het overlijden van Hendrikje in 1951 voortgezet voor Catharine Elbers (tante Katrien). Na 1965 vallen de winkel en de schilderswerkplaats, tezamen met de meeste panden aan de Nieuwe Sluis, ten prooi aan de sloopdrift van de gemeente.

Hoe staat het in het begin van de twintigste eeuw eigenlijk met de productie van beschilderde scheepsvlaggen? Een briefkaart uit 1899 gericht aan de “heer Elbers in vlaggen te Zwartsluis” van een opdrachtgever uit Amsterdam doet vermoeden dat de productie inmiddels landelijke bekendheid geniet. Uit de kasboeken blijkt dat er nog maar sporadisch geschilderde vlaggen of wimpels worden vervaardigd. Het accent ligt op gemeentewapens en treurbomen: een zwarte treurboom op een witte ondergrond die door schippers in de witte baan van de nationale driekleur werd genaaid als er een overlijden viel te betreuren in de directe familie. Ze worden geleverd aan handelsondernemingen in scheepsbehoeften in Rotterdam, Amsterdam, Vreeswijk, Meppel, Zaandam, Zwolle, Groningen, en natuurlijk Zwartsluis. Daarnaast worden er veel vleugels geleverd met in goud de naam van verveners uit Overijssel of Drenthe. Rechtstreekse levering aan schippers komt bijna niet meer voor. In 1918 wordt (voor zover uit documenten is na te gaan) een laatste grote beschilderde vlag geleverd via de Gebroeders Slurink aan een vervener in Bergentheim. Na 1930 is er blijkbaar geen vraag meer naar deze producten. Jan Elbers is in 1920 overleden, wat inhoudt dat de productie van treurbomen, wapens en vleugels in de periode tot 1930 voor rekening moet zijn gekomen van zijn zonen Willem en Hendrik Johannes. Tenminste drie generaties zijn dus betrokken geweest bij de productie.

De Eerste Wereldoorlog heeft ook zijn gevolgen voor het schildersbedrijf. Lijnolie, de basisgrondstof voor verf wordt gerantsoeneerd. In 1917 wordt Jan Elbers gesommeerd door de Nederlandsche Overzee Trustmaatschappij om “onverwijld 24 kg lijnolie af te leveren aan de N.V. Eerste Nederlandsche Oliehandel te Rotterdam op straffe van inbeslagname en verder uitsluiting van rantsoenering”. Jan Elbers reageert: “daar we 1 Mei nog pl.m. 45 kilo lijnolie in voorraad hadden, en nu geregeld ervan gebruiken, is deze binnen korten tijd verwerkt, temeer daar we op ’t oogenblik een Nieuwe IJzeren Motorschoener onderhanden hebben”. Vervolgens krijgt hij toestemming tot verwerking van 21 kg lijnolie. “Aangezien U nog een voorraad van 45 kg heeft, gelieve U de resteerende 24 kg ter beschikking der Regeering te houden”. Jan Elbers reageert: “ik heb nog maar 10 kg en verzoek aanvullend rantsoen”. Waarop deze opnieuw wordt gesommeerd om de “resterende voorraad van 10 kg lijnolie onverwijld naar de Eerste Nederlandsche Oliehandel te zenden op straffe van inbeslagname”.

Een en ander leidt ertoe dat de firma geen rantsoenen meer krijgt toebedeeld. In september 1918 richt Jan Elbers een brief aan de “Commissie van Advies inzake het gebruik van Eetbare Vetten voor Technische doeleinden”. Hij heeft geen rantsoenering ontvangen en verzoekt beleefd om alstublieft lijnolie voor 3 personen toe te wijzen. “We hebben nog zooveel werk en zouden dat zoo graag af willen maken, want als straks het najaar en de winter komt kunnen we heelemaal niets verdienen.” Kort daarna krijgt hij alsnog 21 kg lijnolie toebedeeld.

Na het overlijden van Jan in 1920 wordt de schilderszaak voorgezet door zijn vrouw Hendrikje tezamen met de zonen Willem en Hendrik Johannes onder de naam Wed. J. Elbers en Zonen.

In 1927 nemen Willem en Hendrik Johannes de zaak over voor f 100,-. In 1930 overlijdt Hendrik Johannes ten gevolge van een bedrijfsongeval. Zoals eerder zijn vader overkwam staat nu Willem er alleen voor. Hij zet de zaak voort onder de naam W. Elbers.

Naast zijn schilderswerkzaamheden voert Willem vanaf 14 oktober 1931 een agentschap namens de Nationale en 1e Rotterdamsche. In 1970 draagt hij het agentschap over. Zoon Jan komt in 1934 in zijn vader assisteren. Hij is dan 14 jaar. Een aantekening uit 1936 : “loon van een zoon in het bedrijf betaalt f 2,- per week”

 In 1939 wordt Jan opgeroepen voor zijn dienstplicht. Vader Willem dient een verzoek in om vrijstelling in verband met onmisbaarheid in de zaak. Die vrijstelling wordt verleend tot juli 1940. En daarmee ontloopt Jan Elbers de oorlogshandelingen van begin 1940. In 1943 volgt tewerkstelling in de Noordoostpolder, waardoor hij uitzending naar Duitsland ontloopt.

In 1948 wordt de firma W. Elbers omgedoopt in Fa. W. Elbers en Zoon. Eerst in 1964 (Willem Elbers is dan al ruim 76) neemt Jan de zaak definitief over van zijn vader. Ruim twintig jaar later valt bij gebrek aan opvolging (zijn zonen Willem en Filip raken beiden in de WAO) het doek voor het schildersbedrijf Elbers, waarmee een einde komt aan ruim 200 jaar familiebedrijf.

Dit artikel van Alle Elbers is eerder gepubliceerd in Sluziger kroniek nr 54, 2008

 

Reacties