Verhaal

Nazaten der mastenmakers leven nog in Zwartsluis

Paal- en plankendijk is niet meer.

De regen slaat neer op de Zwartsluizer huizen en straten en trekt geultjes in de modder. De herfstige wind giert over het water en tegen de dijk. Op de dijk staat een man. Met de pet diep over de oren staart hij over het water naar een sluis. De Staphorstersluis, tevens de oudste. Het verhaal gaat dat Zwartsluis daarnaar is genoemd is. De man weet het niet precies en maakt zich er ook niet druk over. Hij woont zijn hele leven hier al en de bekoring ervan ontgaat hem een beetje. De romantiek van vroeger. Dat is wat hem duidelijk voor de geest staat. Hij ziet in gedachten een praam door de sluis gaan. Ongeveer 27 ton turf doen het vaartuigje bijna water scheppen.

In het kleine vooronder zitten een vrouw en twee kinderen opeengepropt. Door een wit laken komt een heel klein beetje licht. De stemmen dringen duidelijk door het dunne doek. De schipper en een zoon schreeuwen wat naar elkaar. De schipper staat met een lange vaarboom in zijn hand en duwt het zware vaartuig vooruit. De zoon hanteert het roer. De vrouw gaat naar boven. Ze zijn er bijna. Nu nog de turf overladen en dan is er weer tien gulden verdiend. Tien gulden in anderhalve week.

De man op de dijk krijgt het koud. Het water loopt van zijn pet in zijn nek. Hij huivert. Hij kijkt naar beneden. Achter de dijk staan aan een smal straatje enige oude huizen. Mastenmakersstraat heet het straatje nu. Vroeger zei men Paal- en Plankendijk. Hij ziet zich weer lopen als jonggezel.

De timmerwerkplaatsen en mastenmakerijen worden afgewisseld met een groot aantal herbergen. Hij gaat er één binnen. Tegenover de deur hangt een bord. Er staat een spreuk op:

"Ik woon hier aan de weg

Wil toch mij gedenken,

Ik zal u voor uw geld

een grote borrel schenken.

Vandaag voor geld, en morgen voor niet.

Want overmorgen gaat de koopman failliet".

 De herbergier ziet er niet uit of hij overmorgen failliet zal gaan. Met een welgedane glimlach staat hij te kijken naar de mensen die over hun jenever met elkaar praten. Het zijn schippers en ambachtslieden. Natuurlijk gaat hun gesprek over het werk, de binnenvaart, de Zuiderzee.

Twee mastenmakers staan met elkaar te praten over hun werk. Zij hebben pas masten gemaakt voor een schoener. De nieuw-binnengekomene gaat bij hen zitten en praat mee. Al is hij dan timmerman, van mastenmaken weet hij wel het een en ander. Andere ambachtslieden komen binnen. Het lijkt wel op een bijeenkomst van leden van een gilde. Het verdwenen gilde der mastenmakers...

Grenenhouten masten verdwenen

Op zoek naar een mastenmakerswerkplaats in het zeestadje Zwartsluis belanden wij bij de werkplaats van timmerman Andries Peuk. Hij weet ons heel wat te vertellen van die oude en voorbije tijd toen de smalle strook grond tussen de dijk en water, gonsde van bedrijvigheid en vol lag met hout. "Vanuit Amerika kwam het hout meneer", zegt Andries die zijn schaaf neerlegt en een plaatsje zoekt op een schraag. Amerikaans grenen voor de grote masten, die de schoeners in die tijd bezaten en dan had je natuurlijk de sparren voor de kleinere binnenvaartschepen, en de haakstokken en vaarbomen. "Het was zwaar werk", vervolgt de timmerman, "want het hout kwam in ontzaggelijk grote vierkante balken binnen". Men schaafde deze weerbarstige balken tot gladde van onder brede en bovenaan vrij spits toelopende masten. In het midden waren de masten, zoals de Griekse zuilen, dikwijls wat bol. Het Amerikaans grenen was daarbij bovendien ook weleens gedraaid. Tijdens de groei van het jonge hout gaf men de stam een slag of draai door middel van een soort knevel. Het resultaat was meer stevigheid en een fraaier aanblik van het hout.

Zelf masten maken

Timmerman Andries Peuk, die zelf in een mastenmakersbedrijf aan de dijk heeft gewerkt, vond het een zwaar karwij. Terwijl zijn ogen meer en meer opleven achter zijn stalen bril en hij het zaagsel van zijn corduroy vest slaat, schildert hij ons de toestand van een veertig jaar geleden. "Men bewerkte de ruwe blokken (balken) met de hand. Eerst met de hak en dan met het trekmes. Het gebeurt nu met machines, zoals bij mijn buurman Buit, die onlangs nog begonnen is met een éénmansmastenmakerswerkplaats hier aan de dijk". Hij is familie van de oprichters van het enige grote mastenmakersbedrijf hier in Zwartsluis, dat nog voldoende werk heeft, namelijk dat van de firma J. Visscher. "Buit en Visscher kennen het vak" zegt Andries Peuk verduidelijkend en hij duikt weer in zijn herinnering. "De masten konden een doorsnee hebben van veertig centimeter en een lengte van vijftig voet. Zoals men nu nog veel werven heeft in Zwartsluis, die de metalen schepen repareren en bouwen, zo was 't vroeger hout wat de klok sloeg in de haven. Men maakte zelfs houten pompen. Geweldige schoeners (driemasten zeilschepen) werden hier beschoten" (betimmerd).

Gebroeders Wijtzes

"Waar nu de Gereformeerde kerk is, hier aan de Mastenmakersdijk, waren de gebroeders Wijtzes gevestigd. Dat waren mastenmakers van de eerste rang. Toch hebben we, ik zo goed als alle andere timmerlui hier in de buurt, het vak bij Slot geleerd. Slot bestaat nu nog, het is de aannemersfirma even verderop naast de kerk. Dit bedrijf werd in 1869 gevestigd. De gereedschappen van de gebroeders Wijtzes en hun gehele werkplaats is verplaatst naar het scheepvaartmuseum in Enkhuizen. Daar komen nu de buitenlanders kijken naar de oude werkwijze van het masten maken. Wijtzes, Slot, ........ en Visscher. Dat was het viermanschap. Ze werkten een dertig jaar terug nog met een draaibank. Een gebogen stok met een stuk touw, dat om een as werd geslagen. Het afgewerkte product, stokken en masten gingen met de boot, de "Paul Kruger" geheten, naar Amsterdam of Rotterdam.

Antennemasten

"Het schiet me ook nog te binnen dat we in die dagen antennemasten maakten. U weet wel die stokken waarop de nogal omslachtige kruisantennes voor de eerste radio's werden bevestigd", zegt Andries Peuk. Als we afscheid nemen van de timmerman beseffen we, dat het gilde van de oude mastenmakers uitsterft, praktisch al uitgestorven is.

Maar de laatste nazaten van de oude geslachten van scheepsbouwers zijn er nog. Aan de Mastenmakersstraat in Zwartsluis wonen nog kinderen van mensen, die de gouden tijd van het door houten schepen machtige Holland hebben meegemaakt. Peuk, Slot, Vinke, Visscher, Buit, het zijn namen die in de loop der jaren niet veel veranderd zullen zijn. Ze praten graag over hun vak, zoals hun vaders erover praatten en hun overgrootvaders als ze 's avonds moe thuiskwamen in hun huizen aan de Mastenmakersstraat.

 

 

Reacties