Verhaal

Joodse gemeenschap uit Zwartsluis tijdens WO II weggevoerd- en vermoord (Deel I)

Het was zover... Op 5 november 2014 werden in Zwartsluis op 4 verschillende plaatsen struikelstenen geplaatst. Het zijn er 11 in totaal en op 6 november werden ze onthuld in aanwezigheid van Opperrabbijn Jacobs.

De officiële naam is ‘Stolpersteine’ en de letterlijke vertaling struikelstenen, of wat ook wel gezegd wordt, ‘steen des aanstoots’, zijn bedoeld om de voorbijganger figuurlijk te laten struikelen en aan te zetten tot nadenken. De struikelstenen zijn geplaatst in het plaveisel voor de 4 woningen in Zwartsluis van waaruit tijdens de Tweede Wereldoorlog de joodse medeburgers zijn weggevoerd naar de vernietigingskampen.

De Duitse kunstenaar Gunter Demnig is de bedenker van de Stolpersteine, kleine vierkante messing stenen (10 x 10 cm) met daarin gegraveerd de naam, geboortedatum, deportatiedatum en plaats en datum van overlijden. Een bekende uitspraak van hem is: “een mens is pas echt vergeten, als zijn naam vergeten is”. Hij kwam zelf op 5 november 2014 de Stolpersteine naar Zwartsluis brengen en ze plaatsen. De kunstenaar heeft inmiddels vele tienduizenden stenen gefabriceerd en geplaatst in verschillende Europese landen.

Het aanvragen en plaatsen van de stenen gebeurde op initiatief van de ‘Stichting  Herdenking Joods Leven Zwartewaterland’ die actief is om verschillende projecten te realiseren. Zij geeft aan: ‘Het is ons doel om de herinnering levend te houden aan onze joodse medeburgers. Zij verdienen het om herinnerd te worden als mensen met een naam en een geschiedenis. Zij hebben in onze dorpen en steden met hun aanwezigheid de geschiedenis gegeven waarop we voortbouwen. Daar moet je aandacht aan schenken en dat doen we met deze Stolpersteine. Door er letterlijk over te struikelen blijven we aan hen denken.’

Geschiedenis

Wat zorgde er voor dat er in Zwartsluis een Joodse Gemeenschap gesticht werd? Waarom was het dorp voor hen belangrijk genoeg om naar toe te trekken?  Vanuit de geschiedenis van het dorp Zwartsluis weten we dat het begon te  groeien en aanzien kreeg vanwege de strategische ligging. Aangezien het  vervoer voornamelijk per schip gebeurde, was Zwartsluis al in vroeger eeuwen bekend als aanlegplaats tussen verschillende belangrijke waterwegen. Vanuit alle windstreken van het land werd hier aangelegd, in- of uitgeladen, (de brandstof turf was een vaak vervoerde lading) proviand ingeslagen en over de Zuiderzee werd koers gezet naar Amsterdam. Er waren verscheidene scheepswerven en allerlei bedrijven die daaraan gerelateerd waren. Voldoende redenen om handelsondernemingen te starten.

We weten dat dit een reden is geweest voor de komst van de Joden.

Ondernemers als zij waren begonnen hier een aantal bedrijven. De grootste was de borstelfabriek van de firma Jakobs. Die werd uitgebreid met een vellenfabriek en handel in straatbezems, kwasten. Joodse en aanverwante artikelen, maar daarnaast werden er ook aanvaarzakken, reddingsboeien en zwemvesten gemaakt, en ze hadden ook een eigen teerfabriek aan de Zomerdijk tegenover de Veldweg. In de hoogtijdagen was het een bedrijf met zo’n 100 medewerkers. Andere joden waren slager, vleeshouwer en/of ritueel slachter (zij leverden schapen- en lamsvlees, maar ook rundvlees aan de gemeente), winkels in manufacturen inclusief een naaiatelier, (waarbij de gebruikte stoff en vanuit Amsterdam werden aangeleverd) maar ook handelaren en koopmannen.

Voor het godsdienstonderwijs zijn verschillende leraren werkzaam geweest. Vanuit de overlevering is bekend dat er voor 5 gulden in de week les gegeven werd aan de kinderen van de Joodse Gemeenschap. Dit gebeurde dagelijks van 4 tot 7 uur en op zondag van 6 tot 12 uur in de eigen woning. Pas wanneer in 1851 een nieuwe synagoge met choollokaal tot stand komt, wordt het godsdienstonderwijs wat professioneler onder leiding van een nieuwe benoemde godsdienstonderwijzer.

Soms bestaat de klas uit 10, dan uit 5 of 8 leerlingen, maar altijd krijgen de jongens en meisjes gescheiden les. Dit gebeurde dan in de Joodse school die al vrij snel na de totstandkoming van de synagoge in het Buitenkwartier gebouwd wordt. In hetzelfde jaar wordt door de gemeenschap een verzoek ingediend voor een nieuwe Joodse begraafplaats, dit verzoek wordt ingewilligd. De oude begraafplaats, welke al in 1767 moet hebben bestaan en waar zelfs joden vanuit Meppel begraven waren, wordt uiteindelijk veel later geruimd.

Vanuit de gegevens van het joods historisch museum weten we dat het aantal leden van de Joodse Gemeenschap in Zwartsluis in 1869 op zijn hoogtepunt was, toen waren er 120 leden, maar dat aantal nam snel af en in het jaar 1930 waren het er nog maar 20.

Tweede Wereldoorlog

In de nacht van donderdag 9 op vrijdag 10 mei klonk boven Zwartsluis het gedreun van grote groepen bommenwerpers. Menigeen dacht dat ze op weg waren naar Engeland, maar niets was minder waar. Boven De Velde werden een paar bommen afgeworpen, terwijl op verschillende plaatsen in de omgeving zware klappen waren te horen van bruggen die de lucht ingingen. De soldaten op de wachtpost in het gebouw van Rijkswaterstaat kregen vroeg in de ochtend de orders om ook de bruggen over de Grote Kolksluis en de Staphorstersluis de lucht in te laten vliegen. Er werd alleen nog gewacht tot de bewoners in de gevarenzone in veiligheid waren. Toen klonken de knallen. Eerst van de brug over de Staphorstersluis, (nu te vinden bij de ingang van de Nieuwe Sluis) die omhoog was gehaald en daardoor loodrecht in het water viel. Even later volgde de brug over de Kolksluis. Toen de rookwolken waren opgetrokken haastten de bewoners van de Schans (het centrum), de Handelskade, de Mastenmakersstraat en de Sluisstraat (de Nieuwe Sluis) zich naar hun huizen, om te zien wat dit voor gevolgen had gehad. De meeste ruiten waren gesprongen,dakpannen gevallen, deuren en kozijnen uit het verband gerukt, muren gescheurd, kortom, er was enorm veel schade.

Ja, ook in Zwartsluis was de oorlog begonnen. Het dorp bestond in die dagen uit een kern rondom de Hervormde Kerk, waarbij aan de Baanstraat naaste de Joodse Begraafplaats, de synagoge te vinden was. Verder was er de Zomerdijk, het Buitenkwartier, de Mastenmakerstraat, de Sluisstraat en de weg richting Hasselt met een paar boerderijen en het Bosch.

De Duitsers kwamen vanuit Meppel en namen hun intrek in de kleuterschool en in de Openbare Lagere School. Het gewone leven ging verder.

Vernietiging van de Joodse Gemeenschap

Maar was dat ook zo voor de Joden van Zwartsluis? Ging voor hen het gewone leven ook weer verder? Het groepje Joden in Zwartsluis was klein, maar hecht. Vooral toen bleek dat de bezetter de Joden trachtte te isoleren van de rest. Dat gaf naast een gevoel van machteloosheid ook een gevoel van saamhorigheid. In januari 1941 begint de Jodenvervolging in Zwartsluis. Men werd getroff en door allerlei nare maatregelen.

- Vanuit de gemeente werd bekend gemaakt dat personen van ‘Joodschen bloede’ zich moesten aanmelden. Niet zo maar even; maar via een offi cieel aanmeldingsformulier waarvoor één gulden leges moest worden betaald. Voor Zwartsluis werden 20 van deze formulieren besteld. De aanmelding verliep vlekkeloos, elk gezin is bekend in het dorp, niet alleen bij de inwoners, maar ook bij de plaatselijke gemeente. Op 6 maart 1941 gaan de 12 keurig ingevulde aanmeldingsformulieren naar de centrale inspectie van de bevolkingsregisters in Den Haag.

Liste über in der Gemeinde Zwartsluis ansässigen

  • Juden -Aronius, Jacob*  30-08-1898 Westeinde
  • Aronius - van Gelder, Gesiena 06-05-1896 Westeinde
  • Aronius, Salomon 09-03-1929 Westeinde
  • Aronius, Mozes 13-09-1896 Westeinde
  • Aronius, Wolf 10-08-1894 Klein Lageland
  • Aronius - Potsdammer, Carolina 02-03-1893 Klein Lageland
  • Aronius, Sara 18-03-1921 Klein Lageland (dochter, was ten tijde van wegvoeren op bezoek bij haar moeder, woonde in Apeldoorn)
  • Aronius, Aron  30-04-1923 Klein Lageland
  • Brest - van Dam, Rozette 07-05-1871 Stationsweg
  • Brest, Salomon 18-08-1897 Stationsweg
  • Brest, Rozette Judith*12-02-1924 Stationsweg
  • Hammelburg, Joseph 05-12-1879 Buitenkwartier
  • Overweg, Saartje 26-02-1861 Buitenkwartier

(er staat een * achter 2 namen, zij hebben de oorlog overleefd)

Nadat de mensen geregistreerd waren, was het de beurt aan hun bezittingen

  • 2 april 1941: Joden moeten hun radio ontvangtoestel inleveren. Elke familie heeft er één: 2 Aetherkruisers, 1 Saba en 1 Philips. De 4 toestellen worden naar Groningen gestuurd, de burgemeester vraagt wel om de verpakking terug te zenden.
  • 31 mei 1941: Joden mogen niet meer komen in zwembaden, stranden, hotels, publieke plantsoenen en openbare gelegenheden.
  • 8 nov. 1941: Joden mogen niet meer werken op veemarkten en slachthuizen.
  • 10 dec. 1941: Joden mogen niet meer werken op groente, fruit en bloemen veilingen.
  • 26 jan. 1942: Borden ‘Verboden voor Joden’ op alle openbare gebouwen, ook de kerken vielen hier onder.
  • 30 april 1942: Na protest van de (landelijke) kerken, komt er bericht dat de borden niet aan de consistoriekamers en andere vergaderlokalen van kerkelijke grondslag hoeven te hangen. (hierdoor wijkt de damvereniging DSS waar Salomon Brest lid van is, uit naar één van deze locaties)
  • 22 juni 1942: Alle fi etsen van de Joden moeten worden ingeleverd. Drie zwartgelakte herenfi etsen t.w. een Standaard Royal, een Sport en eenPresto met bagagedrager worden ingeleverd.
  • 6 juli 1942: De Joden mogen geen gebruik meer maken van het openbaar vervoer. Dit betekent dat Salomon Aronius niet meer naar zijn school in Meppel kan. Hier eindigt zijn onderwijsperiode.
  • 18 juli 1942: De ingeleverde fi etsen moeten verzonden worden naar Oosterbeek.
  • 29 juli 1942: Joden mogen ook niet meer op geleende fi etsen rijden, bijv. van de baas/werkgever.

Duidelijk wordt dat de situatie steeds ernstiger wordt. Welke maatregelen kunnen er nu nog getroffen worden om de Joods Gemeenschap nog erger te raken? Helaas, het ergste moet nog komen, de oorlog wordt voor hen bittere ernst. ‘Zij hebben vermoedelijk niet gedacht dat zij zouden worden vernietigd’ werd door ooggetuigen gezegd, ‘een aantal van hen heeft zich vrijwillig gemeld, toen zij een oproep kregen’.

Inderdaad, dat is het laatste wat deze Gemeenschap kan treffen, het systematisch oproepen en oppakken van de leden, totdat er niemand meer over is. Zo gebeurt het op veel plaatsen. Historici uit het dorp zeiden: ‘Ze waren weg voordat we er erg in hadden.’

Als eersten krijgen op 31 juli 1942 Salomon Brest, Jacob Aronius en Wolf Aronius een oproep om zich te melden. Zij worden overgebracht naar het werkkamp ‘Conrad’ bij Staphorst. Omdat Jacob Aronius merkt dat het niet goed gaat, vlucht hij weg uit het kamp, zoekt onderdak in het Bosch, wordt nogmaals verraden en op transport gezet naar Arnhem. Hij weet echter uit de trein te ontsnappen en komt na een lange tocht aan in Beilen, waar zijn vrouw vandaan komt. De predikant van Beilen zorgt voor een onderduikadres in Wijster. Hij kan daar blijven tot aan het eind van de oorlog en overleeft. De beide anderen gaan vanuit kamp ‘Conrad’ op transport naar Westerbork en van daar uit naar het buitenland.

Oom Mozes Aronius van het Klein Lageland wordt eind juli overgebracht naar een Joodse verpleeginrichting “Het Apeldoornsche Bosch”, (er wordt ook gesproken over een krankzinnigengesticht) hij zal daar een goede verzorging krijgen. Dat dit maar voor een paar maanden zal zijn, weet men dan nog niet. Met 1200 andere patiënten en 50 personeelsleden van deze inrichting wordt hij in de nacht van 21 op 22 januari 1943 gedeporteerd naar Auschwitz en direct vermoord.

Op 17 augustus krijgt Aron Aronius, zoon van Wolf en Carolina een oproep. Hij werkte bij bakker Blei in het Buitenkwartier, maar moet ook vertrekken. Hij moet naar het werkkamp in Ruinen en mag meenemen: een koff er of rugzak, een paar werkschoenen, twee paar sokken, twee stel ondergoed, twee stel beddegoed, twee wollen dekens, twee overhemden, een werkpak, een stel eetgerei, een drinkbeker, twee handdoeken, drie zakdoeken en een pullover. Hij is 19 jaar als hij vertrekt.

Uit het dagboek van dhr. Steven Greveling staat op 30 september 1942 genoteerd dat de vrouwen Aronius in die week door de Duitsers worden opgehaald. Uit de gegevens blijkt dat zij op 2 oktober in Westerbork zijn aangekomen.

Omdat dochter Sara vanwege het Loofhuttenfeest (een feest van vreugde) bij haar moeder Carolina bezoek is, wordt ze ook meegenomen. (Zij woont en werkt als verpleegkundige in Apeldoorn). De schoonzussen Carolina en Gesiena gaan met Sara en de kleine Salo(mon) van 13 jaar aan hun tocht beginnen. Via Westerbork zullen ze die week op transport naar Auschwitz gezet worden, waar ze op 8 oktober worden vermoord. Het is niet bekend of de verschillende gezinsleden elkaar in Westerbork nog ontmoet hebben.

Intussen was Rozette Judith Brest ondergedoken. Zij was in 1924 geboren in Padang in Nederlands Indië, maar woonde sinds 1938 bij haar oma Rozette, naar wie ze hoogstwaarschijnlijk vernoemd was en haar oom Salomon Brest. De oproepen waren genoeg reden om onder te duiken, want zij heeft hierdoor de oorlog overleefd. De familie van Dalfsen uit Genemuiden heeft haar hierbij geholpen.

Nu waren er nog 3 oudere Joden in het dorp. Weduwe Rozetta Brest, zij was 71 jaar en woonde nu alleen in haar rijk gemeubileerde woning. Even verderop in de straat woonden nog Joseph Hammelburg, 64 jaar, samen met zijn schoonzus Saartje Overweg, 82 jaar. Hij was sinds 1911 de godsdienstonderwijzer van de steeds kleiner wordende Joodse Gemeenschap. Zij moeten gehoor geven aan de oproep van Rauter, de commissaris-generaal van “Openbare Veiligheid”, dat alle Joden uit de provincie zich naar kamp Vught dienen te begeven. Dit is op 29 maart 1943. De transportlijst van 11 mei vermeldt hun namen; zij werden afgevoerd met één van de negentien treinen naar Sobibor. Op 14 mei 1943 werden zij aldaar vergast.

Hiermee komt een einde aan de Joodse Gemeenschap in Zwartsluis. Er volgt nog één laatste formulier wat ondertekend moet worden door de waarnemend burgemeester. Het bevat een lijst van Joden, die voortvluchtig zijn of nog niet zijn getransporteerd. Op dit formulier staat slechts één woord: Keine!

Noot redactie:

Hiermee is een einde gekomen aan het in deze Kroniek opgenomen indrukwekkende verhaal die onze plaatsgenoten tijdens de 2e wereldoorlog zijn overkomen, met diep tragische afloop. Verhalen die ons aan het denken zullen zetten, ons nimmer aflatend bezig houden. Die ons ook moeten motiveren om ons moedig te blijven verzetten tegen geweld, op welke wijze- en waar ook ter wereld gepleegd.

In de Sluziger Kroniek nummer 75 van september 2015 zal het laatste deel aan de orde komen. Hier gaat het vooral om de Joodse familie verhalen. Deze artikelen zijn tot stand gekomen door grote inzet van Pleunie Schoonewelle en Albert Greveling. De Historische Vereniging wil hen daarvoor bijzonder dankzeggen

Zwartsluis, 3 maart 2015

 

Reacties