Verhaal

Joodse gemeenschap uit Zwartsluis tijdens WO II weggevoerd- en vermoord. Deel 2 - Familie verhalen

Joodse gemeenschap uit Zwartsluis tijdens WO II weggevoerd- en vermoord

Deel 2 - Familie verhalen

De struikelstenen zijn op 4 verschillende adressen in Zwartsluis te vinden. In deze huizen hebben 4 families gewoond, geleefd, gesproken, gevreesd, gelachen, gehuild, gewerkt binnen een klein dorp. Na hun verdwijning zijn hun spullen eerst bewaard geweest in de synagoge, wachtend op hun terugkeer, wat niet zou zijn. Hun leeggehaalde huizen werden al snel opnieuw bewoond door aanhangers van de bezetter. In het dorp zijn van alle families verhalen bekend. Om hen niet te vergeten willen we ook die verhalen zo goed mogelijk doorgeven.

Familie Aronius – Westeinde Familie Aronius - Westeinde
Jacob Aronius was op 12 augustus 1927 getrouwd met Gesiena van Gelder. Hij komt uit het oude geslacht Aronius wat al sinds 1777 in Zwartsluis woont. Zij komt uit Beilen. Hij is manufacturier of koopman, zoals in één van de officiële documenten beschreven staat. Hierin wordt verteld dat hij op 11 maart 1929 verschijnt aan de ambtenaar van de burgerlijke stand om te verklaren dat er 2 dagen eerder, een zoon geboren is. Een zoon die de naam Salomon krijgt. Die aangifte is gedaan in de aanwezigheid van 2 getuigen, t.w. W. Aronius, koopman en B. Greveling, winkelier. Hoe bijzonder zal het geweest zijn om als dorpsgenoot aanwezig te mogen zijn bij deze aangifte. Hoe bijzonder is dit kind ook voor zijn ouders, hij zal enig kind blijven, ook een zorgenkind, hij had moeite met leren, over hem en zijn ouders het volgende verhaal, verteld u door de ogen van een jongen…. Ik zie de jongens van Aronius nog zo lopen. Aron, de zoon van Wolf Aronius en Salomon, de zoon van Jacob Aronius. Het waren neven van elkaar, want de vaders waren broers.

Salomon, die door zijn ouders Salo genoemd werd, was maar een jaar ouder dan ik, hij was geboren op 9 maart 1929. Salo woonde aan het Westeinde, zijn vader was veel bij de weg met zijn handel in manufacturen, zijn moeder was thuis en lette op de winkel. Salo was, zo ik me nog herinner, een knappe jongen, altijd keurig gekleed maar wel een eenling, die de eenzaamheid in zich had. De joodse school stond er nog wel, maar er waren bijna geen joodse gezinnen meer in Zwartsluis. Aron en Salo waren de enige joodse jongens. Beide jongens zaten op de openbare school die toen nog in de Schoolstraat stond. Vroeger moest je naar de lagere school als je op 1 april 6 jaar geworden was. Zo ging Salo in 1935 naar school. Hij speelde wel met vriendjes in de buurt, de jongens van Moorman of van Eerde. Er was altijd wel wat te spelen of te beleven,de scheepvaart kwam door de Arembergersluis, bij Salo om de hoek. De ophaalbrug ging meerdere keren per dag omhoog om de schepen door te laten. Het was een machtig gezicht als de schepen vanaf het Zwartewater de Wha op kwamen varen en dat kon Salo zelfs zien vanuit zijn woonkamer. Als het stormde dan sloeg het water soms tegen de walkant achter zijn huis aan. Natuurlijk is hij wel eens bang geweest als het zo te keer ging en het water donker en dreigend was.

Wij vonden het wel raar dat Salo op zaterdag eigenlijk zondag had en dat de zondag voor hem dan een gewone dag was. De sabbatdag stond bij de vader en moeder van Salo in hoog aanzien en deze werd intens gevierd. Samen met zijn familie uit het Klein Lageland werd er gelezen uit de Thora en er werd ook naar geleefd. De beide families leefden wel teruggetrokken. Ze gingen bij elkaar op visite en wisten wat ze aan elkaar hadden. Soms kwamen er logés mee met nicht Sara, die in Apeldoorn werkte. Samen gingen ze natuurlijk op de Sabbat naar de Synagoge aan de Baanstraat.

Dan komt de grote dreiging vanuit Duitsland. Iets om nog veel banger voor te zijn dan voor de ergste storm. Wat zal Salo hier allemaal van geweten hebben? In de donkere avonden zullen zijn vader en moeder vast wel gesproken hebben over de toekomst.

Omdat het leren voor Salo moeilijk was ging hij vanaf zijn 11e jaar naar de Mackay school in Meppel. Dit viel samen met het begin van de oorlog. Een moeilijke beslissing voor zijn ouders. Het staat mij nog duidelijk voor de geest hoe Salo met zijn tasje met brood naar het station liep om met de bus naar Meppel te gaan. Hij moest ook net als alle andere joden een ster dragen.Stel je dat eens voor, als 11 jarige jongen met een grote gele ster op je borst rondlopen, zodat iedereen kon zien dat je Jood was. Dat was het begin van de Jodenvervolging in Zwartsluis.

Salo zijn vader moet een formulier invullen met de namen van zijn huisgenoten er op. Dat betekent dat ook zijn oom Mozes die bij hen inwoont wordt opgeschreven. Er wonen dus 4 Joden op hun adres. Later moet de radio worden ingeleverd en dan ook nog de fi ets, dat is erg, want die fiets had Salo’s vader nodig voor de handel. De fi ets van de buurman lenen mocht ook niet en ook een paard en wagen was verboden. . Voor Salo betekende het dat hij niet meer met de bus mag. Op 6 juli 1942 komt het bericht dat hij geen onderwijs meer kan volgen. Misschien heeft Salo dit bericht niet zo erg gevonden, want net als alle kinderen vond hij het ook wel fi jn als hij vrij was van school. Twee weken later vertrekt zijn oom Mozes naar een inrichting in Apeldoorn. En nog een week later komt voor Salo het bericht dat zijn vader zich moet melden. Daar zal hij vast verdriet van gehad hebben. Hij bleef alleen achter bij zijn moeder. Het afscheid zal zwaar geweest zijn, maar ze gingen vol vertrouwen op de God van Sion op weg. Misschien hebben ze gedacht dat ze elkaar terug zouden zien, want ook de achterblijvers zouden bericht krijgen.

Voor Salo komt dat bericht op 17 augustus 1942. Hij zal samen met zijn moeder, met zijn tante Carolina en zijn nichtje Sara op 2 oktober op transport gaan naar het kamp Westerbork. Van daaruit gaan zij verder naar Auschwitz, waar ze op 8 oktober 1942 worden vermoord. Salo is dan 13 jaar.

Familie Aronius - Klein Lageland
Wolf Aronius is op 10 juni 1920 getrouwd met Carolina Potsdammer. Hij is een geboren en getogen Sluziger, oudste zoon van een gezin van 6 kinderen, ook van de bekende Aronius familie. Zijn beroep is koopman, zoals in de trouwakte vermeld staat. Zij is geboren in Steenwijk, maar woonde al in Zwartsluis. Zij krijgen 2 kinderen, Sara (1921) en Aron (1923). Sara is 19 als de oorlog begint en werkt als verpleegkundige in Apeldoorn. Aron wordt beschreven als een wat lange jongen, die gemakkelijk contacten legde en zich niet afzonderde. Toen hij de school ontgroeid was en aan het werk kon, vond hij een plaatsje bij bakker Daniël Blei in de bakkerij aan het Buitenkwartier. Daar is hij gebleven tot midden 1942. Oud-burgemeester Smit heeft Wolf Aronius centraal gezet in zijn toespraak bij de onthulling van het monument in 1984. Een paar aandachtspunten:

Wolf Aronius was manufacturier, een deel van zijn familie ging nog op stap met de kar, als een soort marskramer. De bevolking kende hem als een wat zwijgzame man, op het stugge af. Jarenlang had hij een leidinggevende plaats in de Sluziger synagoge. Een kenner van de wet en van de profeten. Wat betekende de oorlog voor deze man?

Ook Wolf Aronius moest zijn gezin registreren, zij waren immers van ‘Joodschen Bloede’ en hij leverde zijn formulier in en betaalde zijn gulden: de premie voor het doodvonnis. Op zijn persoonskaart werd de fatale “J” gestempeld en de ruiter geplaatst, zodat de kaart gemakkelijk kon worden gelicht… als dat nodig zou zijn.

Na verloop van tijd kwamen de maatregelen. We vinden: Ondergetekende, Wolf Aronius, verklaart, dat hij zijn radiotoestel heeft ingeleverd, op grond van zijn Joodschen afstamming. Het merk: Aetherkruiser.

Op 8 oktober krijgt Wolf Aronius de gemeentebode aan de deur op het Klein Lageland, die hem meedeelt, dat voortaan verhuizen verboden is. Aronius mag geen zwembad meer bezoeken, geef café, geen restaurant. De bordjes “Voor Joden verboden” doen hun intrede. De fi etsen moeten worden ingeleverd. We lezen: Door den heer Aronius W, te Zwartsluis is op heden zijn rijwiel ingeleverd. Een zwart gelakt herenrijwiel, merk Standaard-Royal, handrem, bagagedrager en voorzien van banden. En dan, op 31 juli 1942 staat zijn naam op de transportlijst voor kamp Conrad te Staphorst. Hij moet afscheid nemen van vrouw en kinderen, dit zal moeilijk geweest zijn, maar hij had een vast geloof en vertrouwen op zijn Eeuwigheid, dat gaf hem rust.

Dit weten we uit de brieven die Wolf (soms Adolf, soms Dolf ) Aronius en zijn vrouw geschreven hebben aan dhr. Steven Greveling en zijn, toen nog verloofde, Jantje Appelo.

Een correspondentie uit het voorjaar van 1942, die begon met een bezorgde brief van Greveling aan het echtpaar Aronius. In die brief wordt geschreven over de positie van de Joden, waarbij kennelijk de vraag gesteld wordt of de Joden religieus gezien wel het goede pad gingen. Er wordt zelfs gesproken over een dwaalweg. Als actieve jeugdwerkers binnen de Christelijke Jongelingen Vereniging ‘Christophilus’ werden er binnen de groep theologische discussies gevoerd, waarbij genoemd werd dat de protestantse christenen over de juiste uitleg zouden beschikken. Deze vragen werden beschreven in de brief, waarbij het bijzonder is, dat zij hun Joden wilden blijven betrekken en niet los wilden laten.

Uit de brieven van het echtpaar Aronius blijkt dat de familie traditioneel leefde, dat wil zeggen dat ze tot de orthodoxie kan worden gerekend. Dit wordt uiteindelijk ook duidelijk uit de inventarislijst, opgesteld na hun deportatie, die joodse boeken vermeldt. Uit een brief van Carolina blijkt haar liefde voor het Jodendom en daarin roept ze op tot onderlinge verdraagzaamheid. Zij zal van huis uit een behoorlijke kennis van het Jodendom hebben meegekregen, maar zij laat de eer over aan haar echtgenoot. In hun antwoorden geven ze blijk van hun vaste vertrouwen in het Jodendom. Er wordt door Carolina gezegd: Ook al verkeren wij nu in voor ons bij uitstek moeilijke tijden, nooit is bij ons opgekomen dat wij het wel eens mis konden hebben. Ons wordt geleerd dat G. is een enig eeuwig wezen Die geen door de mens goddelijk aangebeden wezens naast zich wil dulden. Ge begrijpt dat een godsdienst die van ouder op kind tot in geslachten is voortgegaan, die blijf je vasthouden tot het einde der dagen die men mag beleven. Zoo gaat het jullie en zoo gaat het ons. Wolf Aronius voegt daaraan toe: Ik weet voor mij zeker dat dit nooit anders is geschied dan met ons Joodse volk. Het begrip Eeuwigheid is “zooland de wereld bestaat” en “zoolang de Hemel boven de aarde is”. Dan nog zal onze Tora en de waarheden daarvan dezelfde zijn.

- Bij gevolg hebben goede gemoedsrust bij onze Godsdienst die ons alles kan geven en alles zal geven -

Tot slot

Psalm 121 (onderdeel van het middaggebed)

Hienij /                                            Zie /

lou jooniem / welou jiesjon /           Hij sluimert & slaapt niet

sjoumijr / Jisroeil                             De Behoeder van Israel

Familie Brest
Een zeer welgestelde familie die met 3 generaties bij elkaar woonde. De oude weduwe Rozette Brest - van Dam woont samen met haar zoon Salomon Brest. Vanaf 1938 komt hun kleindochter / nichtje bij hen wonen. Ook zij heet Rozette en is geboren in Nederlands Indië. Zij komt naar Nederland om te studeren. Ze trekt in bij haar oma en oom, een huis met een rijke inboedel. Ook was de familie Brest één van de weinigen die in het bezit was van een auto, een Chevrolet die gestald werd in een garage.

Zij hadden een winkel in manufacturen, maar dan een luxe zaak in een groot pand. (nu Next Step). Daaraan verbonden was een naaiatelier, waarin de naaisters lange dagen maakten, ’s morgens om 5 uur werd begonnen, maar wel konden rekenen op 10% korting voor de rest van hun leven, een bewijs van goede verstandhouding.  We weten van Salomon Brest dat hij een fervent dammer was en lid van de damvereniging. Er is zelfs teruggevonden dat de naam DSS - De Schuivende Schijf door Salomon Brest bedacht is. (vertrek 18.50u Teeuwland Hasselt) In tegenstelling tot de families Aronius, was deze familie minder streng in de Joodse leer. Zij wandelden veel op de sabbat, keken ook wel naar het voetballen,bestelden bloemen in de bloemwinkel van Greveling, maar lieten die dan wel na de sabbat bezorgen, maar dat was geen probleem, de winkel was toch open tot 9 uur ’s avonds.

Deze familie heeft wel geweten dat het niet goed ging met de Joodse Gemeenschap in de beginjaren van de oorlog. Wat zou anders een reden geweest kunnen zijn voor het onderduiken van kleindochter Rozette? Zij heeft met hulp van de familie van Dalfsen uit Genemuiden ondergedoken gezeten en daardoor de oorlog overleefd.

Toch was er twijfel, want haar oom Salomon heeft dit niet gedaan. Hij heeft zich uiteindelijk vrijwillig gemeld en is overgebracht naar kamp Conrad bij Staphorst. Zijn moeder bleef alleen achter in hun woning.

Van dhr. Jaap Feenstra weten we dat zijn ouders contact hadden met de familie Brest. Op een gegeven moment toen Salomon Brest al geïnterneerd was in Staphorst moest hij met zijn vader Hielke mee. Zij gingen naar het kamp om Salomon op te zoeken. Vader Hielke gaf Jaap de opdracht om uit te kijken naar de bewaking en ging zelf op zoek naar Salomon. Nadat hij hem gevonden had, vroeg hij hem: ‘Zullen wij alle spullen van waarde, van goud en zilver, uit jullie huis halen en opslaan op onze zolder? Dan blijft het uit de handen van de bezetter’. Maar van Salomon mocht dit niet, want, zo zei hij: ‘Als de oorlog afgelopen is en we komen het ophalen, dan weten jullie niet meer dat het van ons is’.

Hieruit blijkt dat er sprake was van een zekere argwaan, maar ook dat er hoop was op terugkeer, helaas, die hoop is geen waarheid geworden. Nadat ook de weduwe Brest uit huis vertrok naar kamp Vught, als één van de drie laatste uit het dorp, werd de inboedel geïnventariseerd en overgebracht naar de synagoge. Het huis werd vrij snel weer gebruikt, o.a. als politiebureau.

Familie Hammelburg - Overweg
Dhr. Joseph Hammelburg was in 1909 getrouwd met Siene Overweg. Haar broerhad een textielzaak aan het Buitenkwartier, zijn naam was Jesaja Overweg. Maar wanneer er gesproken werd over Siene en haar zuster Sara, dan had men het over de zusters van Saajes. Zo zijn ze ook in de volksmond bekend.
Hun winkel stond in de omtrek goed bekend,want de uitverkopen van de familie Overweg werden uit de verre omtrek bezocht.

Siene was dus getrouwd met Joseph Hammelburg,geboren in Nijkerk,die de joodse onderwijzer en ook wel de voorganger in de synagoge was. Hij had geen last van hoogmoedzin, want hij ging net zo goed met de hondenkar venten in de omgeving als zijn zwager Saajes. Maar op de sabbat gebeurde dit natuurlijk niet. De families Overweg en Hammelburg hielden zich stipt aan de regels van de sabbat en de Joodse leer. Zij hadden achter hun huis ook een loofhut en Joseph Hammelburg ging ten tijde van het Loofhuttenfeest, met een staf met mirthetakjes naar de synagoge, ze hadden een mirthestruikje in hun huis, volgens de aloude tradities. Van dorpsgenoten weten we dat Siene en Sara pruiken droegen, ook een traditie waarbij de vrouwen hun haren moesten bedekken, dat kon met een hoofddoek of met een pruik. Met hen werd in die jaren wel de spot gedreven als ze hun pruiken droegen. Dit gebeurt allemaal in de jaren voor de oorlog.

(De Loelav bestaat uit een bundeling van een palmtak, drie mirte takjes,en vormt een geheel met etrog. Gedurende zeven dagen van Soekot( Loofhuttenfeest) wordt de Loelav mee naar de synagoge genomen waar, onder reciteren van het Halleel 9Pasalm 113-118) met de bundel in vier windrichtingen gezwaaid wordt, om ‘vreugde te bedrijven voor de Eeuwige, zeven dagen lang’(lev 23:40-41.)

Siene is 13 jaar ouder dan haar man Joseph, zij overlijdt in 1938 in de leeftijd van 70 jaar. Zij hebben geen kinderen. Dan is alleen Sara nog in leven van het gezin Overweg. Joseph besluit om dan in te trekken bij zijn schoonzus Sara, wat aangeeft dat hij zich verbonden voelde bij het dorp Zwartsluis.

Hij had ook terug kunnen keren naar zijn geboortedorp Nijkerk, naar zijn broers en zussen, maar hij bleef in Zwartsluis. Hij behoorde, samen met zijn schoonzus Sara en weduwe Rozette Brest tot de laatste drie weggevoerde Sluzigers. Als administrateur van de Joodse Gemeenschap heeft hij alle geloofsgenoten uitgeschreven uit het register, wat zal hij gedacht hebben, iedere keer wanneer hij een naam noteerde? Of heeft ook hij gedacht dat dit tijdelijk zou zijn? Dat de Joodse Gemeenschap ooit weer opgebouwd zou worden wanneer haar leden terug zouden keren? We weten het niet.

Wel is bekend dat 9 van zijn broers en zussen met hun gezinnen in de verschillende vernietigingskampen zijn vermoord. Zo ook deze laatste 3 Sluzigers, Rozette Brest, Sara Overwerg en Joseph Hammelburg. Zij werden vermoord op 14 mei 1943 in Sobibor, een zwarte dag.

Op 14 mei 1943 is het een vreugdevolle dag voor Steven Greveling en Jantje Appelo. Zij trouwen op die dag in Zwartsluis. Toen zij, veel later, ontdekten dat dit nu juist de sterfdatum was van de laatste Zwartsluiziger Joden, heeft hen dat geraakt. Zoon Albert vertelt dat zijn ouders hun leven lang geworsteld hebben met wat er met de joden was gebeurd: “Het feit dat niemand, ook zij niet, een hand had uitgestoken om ook maar iets te doen tegen deze ernstige daden van terreur, heeft hen nooit meer losgelaten”.

Zwartsluis, 4 augustus 2015

Reacties