Verhaal

Het leven van toen in de Dikkersstraat in Zwartsluis

Auteur: 
Henri Klomp

De Dikkersstraat werd door ons wel eens genoemd 'de Jordaan van Zwartsluis' zo gezellig was het bij ons. In de zomer als het werken door de groten gedaan was, zaten de meeste buren voor het huis verhalen te vertellen van vroeger; de jeugd was aan het voetballen of aan het wedstrijdje koppen met een bal van gras of papier. Maar als het winter was, gingen wij op de schaatsen de trekgaten in. Er waren toen nog schiere trekgaten die in de luwte heel gauw betrouwbaar waren. Je kon dan op plekken komen waar je anders niet kwam.

In de winters van vroeger sneeuwde het veel meer dan nu. We maakten dan zelfs een sneeuwhut of een hele dam van sneeuw in de sloot. In de winter waren die huisjes bijzonder koud en warm water was er 's morgens niet. Meestal was het vuur in de kachel uitgegaan; die moest eerst aangemaakt worden. Dat gebeurde met petroleum en een oude krant en dan lag je er voor te blazen om zo gauw mogelijk vuur te krijgen. Dan naar school met een korte broek aan en lange zwarte met een korte broek aan en lange zwarte kousen met een elastiek om het bovenbeen om de kous op te houden. Als je dan de ellende, niet alles was ellende, van de winter voorbij was en het voorjaar kwam, dan was het feest, want dan kwam de tijd van eieren zoeken aan en die lagen er in die dagen volop. Die dagen zijn om nooit te vergeten; dan waren de weilanden niet alleen groen, maar ze waren ook kleurrijk van de bloemen en de kruiden. Dan gingen de boeren de kalfjes door de sloot trekken om ze te laten wennen aan de sloot en gingen wij de trekgaten in om hutten te bouwen. Wat een tijd, om nooit te vergeten.


Vaak kwamen we thuis met een natte broek en natte sokken. Dat werd ons door de ouders niet altijd in dank afgenomen. Toen wij wat ouder werden en verder van huis gingen - bijvoorbeeld naar de Nieuwesluis - en tot de ontdekking kwamen dat timmerman de Goede een bootje verhuurde voor 15 cent per uur was dat een nieuw avontuur. We waren meestal met drie man die alle centen bij elkaar deden om een paar uur te varen. We waren niet ouden dan een jaar of dertien en niet zachtzinnig en niet ervaren. Als het hard waaide, was het voor ons helemaal een feest; dan roeiden wij een eind tegen de wind in en dan waaide het zo hard dat wij de riemen haast niet konden opbeuren. Wij hadden een stok aan de roeidoft gebonden en daar een oude jutezak aangedaan en zo zeilden wij terug. De Goede had veel vertrouwen in ons, want als wij een keer geen geld hadden, kregen wij het bootje ook mee. De Goede was een man van weinig woorden en in onze ogen een goede man voor ons, maar hield ons wel onder schot. Dit was een prachtige tijd voor ons. Zo nu en dan ging ik met mijn moeder naar Reinte Boers; die woonde in een huisje tegenover Jan van de Wetering. Dik Slot woonde met zijn ouders ook in een van die huisjes en op het hoekje woonde Kneles Nijboer. Dan kreeg ik altijd een reep chocolade (sukela) die mocht in niet op de leuning van de stoel leggen, omdat er geen papier omzat. Ondanks dat onze ouders geen contact hadden met Van de Wetering, zette Eppe ons toch over met zijn punter. Als wij terug wilden, moesten wij maar roepen en werden wij weer opgehaald.

Ook kregen wij de punter wel eens mee naar de overkant. Wij mochten ook wel mensen overzetten met de punter en beurden daar dan geld voor, wat wij weer af moesten geven. Olde Jan spaarde dat geld op in een kistje waar hij Koos Nieborg pruimtabak van liet halen en voor Koos zelf een puntzakje drop. Dat mocht niemand weten, want hij mocht niet pruimen. Het geldkistje had hij in de hooischuur op een hanebalk verstopt. Op de Zomerdijk - toen het huis van Hendrik van de Velde daar nog niet stond - lag een oud schippertje met een tjalk in 't Olde Gat'. Hij had een witte baard en was altijd erg vriendelijk voor ons. Wij deden ook wel eens boodschappen voor hem; hij was een 'eenlopende' man. Hij had ook een bootje waar wij al met een scheel oog naar gekeken hadden. Wij deden alles voor die man, het was ook politiek van ons, want dan kon hij ons het bootje niet weigeren om op het juiste moment te vragenom te mogen varen, dachten wij. Van die tijd af gingen wij haast elke dag varen en dan schoten de boodschappen voor die man er wel eens bij in. Jullie weten hoe egoïstisch een kind kan wezen. Toen R.J. naar school moest, hij woonde bij ons in de buurt, is hij op de 'krulewaang' naar school gebracht door een man die in de huizen van Apperlo woonde. Bij de christelijke school aangekomen, konden ze hem niet verder krijgen, en hij is op die school gebleven tot hij uitgeleerd was. Wij hadden op de Zomerdijk ook de sneeuwschuif liggen die getrokken werd door de 'Kidde' van Kuiper, 'zie nuumden um ook wel ies de strontkuper'. De sneeuwschuif lag tegenover de Krabbe, de grootvader van Mat, onder in de berm. De Kuper werkte bij de gemeente samen met Jan Tibben. Doordat het paardje een keer op de loop ging, is hij met de volle ballast over het hek geslagen van de gereformeerde school. Ik weet nog goed dat ze ook op de Zomerdijk de vuilnis ophaalden; nog met een open kar waar de tonnetjes zo ingekiept werden.

Dit was heel beknopt onze avonturen op de Zomerdijk. Er is onnoemlijk veel meer over te schrijven. Dit was een kleine bijdrage van mij. Ik hoop dat dit een begin in van de recente historie van de Zomerdijk en dat er meer volgt.

Dit artikel komt uit het verenigingsblad van de Historische vereniging Zwartsluis (2001)

Reacties