Verhaal

'Een mens wordt stilgezet'. Herman Slurink bracht vier jaar door in een Duitse gevangenis

Auteur: 
Roel Kleine

'Wat hij nu tegen u zegt hebben in die jaren zelfs onze kinderen nog nooit van hem gehoord'! De echtgenote van Herman Slurink in Zwartsluis verbergt haar verbazing over de spontane openheid van haar man niet. Hoe vaak hebben Slurinks nakomelingen wel niet gevraagd om eens iets te vertellen over zijn vierjarig verblijf tijdens de oorlog in een cel van het tuchthuis Lüttringhausen nabij Wuppertal. Even zoveel malen bleef Herman Slurink net zo gesloten als de benauwde ruimte waarin hij jarenlang vastzat. Een goed beeld heeft zijn nageslacht zich dan ook nooit kunnen vormen van de tijd, die Slurink eenzaam en alleen, kou en hongerlijdend, heeft doorgebracht in een tochtige Duitse cel.

Het gekke is dat de voormalige handelaar in scheepsbenodigdheden die periode in de Duitse cel toch als een verrijking heeft ervaren, ondanks alle misère. Zijn opsluiting ervoer hij min of meer als een lotsbestemming. Zijn geloof heeft daarbij een grote rol gespeeld.

Slurink groeide op in een groot gereformeerd gezin. Het rotsvaste vertrouwen in zijn Schepper heeft hem veel steun gegeven in die donkere jaren. Zozeer zelfs, dat in zijn brieven naar Nederland, een ondertoon doorklonk, die zijn familie weer opbeurde. 'Een mens wordt stilgezet' en 'het heeft zo moeten zijn' krijgen wij te horen als we vragen om een nadere uitleg van zijn berusting in het lot, dat hem trof.

'Het was een weg van beproeving, maar het was goed voor mij verdrukt te zijn geweest. God was mij tot hulp en sterkte voegt Slurink eraan toe. Met bidden, lezen in de Bijbel, waarvan hij alleen het Nieuwe Testament kreeg van de Nazi's. In het Oude Testament stond volgens de Duitsers teveel over het Joodse volk en het aanheffen van geestelijke liederen bleef de eenzame Zwartsluizer op de been. 'Het eerste vers dat in mij opkwam was: 'als g'in nood gezeten geen uitkomst ziet wil dan nooit vergeten, God verlaat u niet' herinnert Slurink zich.

Het lijden begon voor Hermannus Johannes Slurink op 26 juni 1941. Hij was naar zijn zeggen rustig aan het werk in de zaak van zijn vader aan de Handelskade in Zwartsluis toen plotseling de Duitsers binnenstormden. Die hadden van de provocateur Anton van der Waals te horen gekregen' dat de Slurinks in Noordwest Overijssel de verspreiders waren van het 'illegale' Vrij Nederland. Via de vertegenwoordiger Jan Willem van Stoppelenburg van de Verenigde Touwfabrieken waren Herman Slurink en zijn broers aan die heimelijke ondernemingen begonnen'

Verzet

Het verzet tegen de Duitsers zat er bij het gezin Slurink vanaf de verraderlijke inval op 10 mei 1940 goed in. 'Het was een innerlijke drang om te strijden tegen dit onrecht, tegen die goddeloze regering.' Zo probeerden wij wat te doen is de verklaring voor het tegenwerken van de bezetter.

“In het begin” zo vervolgt hij, viel het nog mee, al moest je wel oppassen voor de NSB'ers. Die brachten je zo aan. Aanvankelijk heeft Slurink dan ook gedacht, dat hij door een plaatsgenoot was verraden, maar dat bleek achteraf een misvatting. Van der Waals, een gevreesde handlanger van de Duitsers, was geïnfiltreerd in de groep van tien die zich bezighield met de verspreiding van Vrij Nederland. Toen de groep in zijn val liep, sloeg een van hen door en noemde de naam van Slurink in Zwartsluis. De inval aan de Handelskade was het vervolg.

Huiszoeking

De Duitsers vonden bij de huiszoeking echter niets, maar Herman, zijn oudste broer Pouwel en zijn jongere broer Jan werden toch meegenomen. Eerst naar het gemeentehuis, daarna naar Kampen en vervolgens werden de gebroeders Slurlnk afgevoerd naar het Huis van Bewaring in Zwolle. Maar ook daar bleven zij niet lang. De voorlopige bestemming werd het beruchte Oranjehotel in Scheveningen, waar Herman in gezelschap verkeerde van onder anderen luchtvaartpionier Albert Plesman van de KLM. Twee keer werd Herman Slurink veroordeeld; eerst tot zes maanden gevangenisstraf die later weer werd omgezet in levenslang. 'Het oproepen tot sabotageacties tegen de Duitsers in de krantjes werd ons zwaar aangerekend', zegt Slurink over de aanklacht in het proces dat tegen hem werd gevoerd. Hij nam manmoedig alle schuld op zich om zijn getrouwde en jongere broer te vrij waren van verder nadelige gevolgen van hun arrestatie. 'Ik had nog geluk', herinnert Slurink zich. 'We stonden met zijn tienen terecht en drie van ons kregen de doodstraf.' Van Stoppelenburg, Bolk en Cats zijn later gefusilleerd. Zijn broers waren na twee weken weer thuis in Zwartsluis. Herman echter niet. Voor hem begon een lange lijdensweg, die hem uiteindelijk naar het tuchthuis Lüttringhausen voerde. Vier jaar lang zat hij daar te midden van zware misdadigers. Naaimachinewerk en stofbrillen maken voor het Duitse leger. Met de kerst- en ander feestdagen hoefden we niet te werken, maar dat waren meestal de beroerdste dagen mijmert de Sluziger in zijn woning aan de Van der Meulenstraat.

Honger

Het was een monotoon leven. 'Elke dag was het zelfde. Het eten was er slecht. Een snee brood en wat soep was alles wat we kregen. Dat brood was zo hard, dat ik m'n tanden erop heb gebroken. We leden honger. Zo raakten we ondervoed. Dat was ook de reden dat een wond aan mijn been maar niet wilde helen.

Toen Slurink na de oorlog weer thuis kwam zat hij binnen twee weken weer dicht. Ik leed ook vaak kou in de cel. Sokken hadden we niet. Een paar lappen zaten er om mijn voeten en benen. Bijna een jaar lang zat Herman Slurink alleen in een cel. Je went op den duur aan de eenzaamheid. Familie heeft hij in die vier jaar niet gezien. Een dorpsgenoot, die werkte in Duitsland zocht hem een keer op. Zijn contact met de buitenwereld bestond uit briefwisselingen met het thuisfront. Mijn vader schreef weleens dingen dan dacht ik: 'kijk toch uit straks word je ook nog opgepakt, zo had hij het eens over onze radio, die zelfmoord gepleegd, waarmee hij bedoelde, dat hij de radio had verstopt.

'Elke ochtend werden wij gelucht. In een kringetje liepen we achter elkaar aan. Er mocht niet gesproken worden. Dit werd toch gedaan. Zo werden de laatste nieuwtjes uitgewisseld. Met de brieven en het luchten bleef je op de hoogte van wat er zich in de wereld afspeelde. Mijn vader heb ik noóit weer gezien. Hij is in 1944 overleden, ook mijn broer Toon heb ik niet meer ontmoet. Hij is kort voor de bevrijding gefusilleerd bij de woeste Hoeve door de Duitsers. Angst heeft Herman Slurink ook gekend in zijn cel. Als de Engelsen kwamen om het Ruhrgebied te bombarderen juichte je eerst, maar dat ging snel over als de bommen in de buurt insloegen. Bovendien deden de Duitsers dan een extra slot op de cel. Bang was ik ook kort voor de bevrijding. Er heerste angst dat de Duitsers ons kort voor de bevrijding alsnog zouden executeren. Het was zondag 15 april. Ik hoorde dichtbij mitrailleurvuur en opeens waren de Amerikanen binnen. Dat gevoel van vreugde zal zich nooit weer herhalen. Ik zat te zingen en te dansen op mijn bed.

Zenuwen

Het betekende nog niet dat Herman Slurink meteen kon afrezen naar Zwartsluis. Op 12 mei kon hij na een vermoeiende tocht door zijn oudste zuster in Zwolle weer in de armen worden gesloten. Slurink zegt 50 jaar na dato geen haatgevoelens te koesteren tegen de Duitsers. 'Het was wel een beroerde tijd, maar ik heb wel een gevoel gehad of er een soort band om mijn buik zat. Waarschijnlijk kwam dat van de zenuwen, van teveel denken. Maar ik mag de mensen niet haten. Dat is onze roeping niet. Twee jaar geleden mocht Slurink een kijkje nemen in de gevangenis van Lüttringhausen. Een eerder verzoek om binnen te komen was geweigerd. 'Wij doen dit eigenlijk nooit was het argument van de gevangenisdirecteur. Ze bleken alle gegevens van Herman Slurink nog in hun bezit te hebben. 'Als ze me weer oppakken, heb ik nog vier jaar tegoed', grapt Slurink als we afscheid van hem nemen.

Een hele familie in verzet

Niet één, maar tien leden van de familie Slurink in Zwartsluis, zijn actief betrokken geweest in het verzet tijdens de oorlogsjaren. Die deelname aan de strijd tegen de bezetter heeft echter ook zijn tol geëist. Toon Slurink, die vanuit Kampen de strijd met de Duitsers was aangegaan, haalde het einde van de oorlog niet.

Kort voor de bevrijding werd hij uit het Huis van Bewaring in Zwolle gehaard om samen met lotgenoten te worden gefusilleerd bij de " Woeste Hoeve” bij Apeldoorn. De massamoord in deze Veluwe buurtschap gold als een represaille van de Duitsers voor de aanslag, die verzetsmensen hadden gepleegd op Rauter, de hoogste Duitse politiefunctionaris. Volgens Hester Boeve-Slurink, een zus van de gesneuvelde Toon, was haar vader de grote drijfveer achter het verzet tegen het Naziregime. Hij vormde voor ons een stimulans, vertelt zij in haar huidige woonplaats Kampen. 'Mijn vader moest niets van de Duitsers hebben, al kon hij zelf niets doen, omdat hij een zwaar hartpatiënt was.

Kort nadat Nederland door de Duitsers was bezet raakten leden van de familie Slurink, die een scheepshandel hadden aan de Handelskade in Zwartsluis, betrokken bij activiteiten, die gericht waren tegen de bezetter. Dat begon onder anderen met de verspreiding van verzetskranten. Toon Slurink woonde toen al in Kampen, waar hij zelf de krant, Strijdend Nederland drukte en bezorgde. Daarvoor schakelde hij ook zijn zus Lies in, die koerierswerk deed zoals de verspreiding van bonkaarten. Maar ook onderduikers verleende Toon een gastvrij onderdak. De eerste keer dat Toon in de handen van de Duitsers viel was in het eerste oorlogsjaar. Drie maanden heeft hij wegens verzetsactiviteiten vastgezeten in Kampen.

Maar ook zijn broers Pouwel, Herman, Jan en Henk evenals de zussen Ans, Aly, Dien en Hester lieten zich niet onbetuigd in de oorlogsjaren. Aangetrouwde familie was eveneens actief in het verzet. Ele Visserman, die was getrouwd met Ans Slurink, verborg onderduikers in huis. Daaronder bevond zich onder anderen de toenmalige burgemeester De Koning van Zwartsluis. Visserman kwam echter ook in de handen van de Duitsers terecht. Hij werd opgepakt maar wist tijdens het transport naar de gevangenis te vluchten.

Alle broers zijn één of meerdere keren in de gevangenis geweest. Henk, de jongste, werd tenslotte uit het kamp in Westerbork bevrijd. Herman zat vrijwel de gehele oorlog vast in een Duits tuchthuis. Pouwel was op een gegeven moment met zijn gehele gezin ondergedoken. Hester zegt nu weleens beklag te hebben gehad met haar moeder, die haar zonen in de gevangenis zag belanden. Ik denk weleens, wat heeft zij toch wat doorgemaakt. Maar toch heeft ze het aanvaard zoals het gebeurde.

Toen de oorlog uitbrak was Hester 15 jaar. Haar afkeer van de bezetter liet zij al snel blijken door op straat verbod liedjes te zingen. Een NSB'er gaf haar aan, waardoor zij een middag werd vastgehouden. Ik was eerst te jong om mee te doen, maar ik leefde uiteraard wel mee. Nadat mijn vader was overleden, we woonden in Zwolle, keerden wij terug naar Zwartsluis. Pouwel kon mij toen gebruiken als koerierster'.

Arrestatie

Hester Boeve-Slurink weet nog hoe haar broer Toon is gearresteerd. Hij was net op bezoek bij de verzetsstrijder Hilbert van Dijk. De Duitsers hebben Toon tijdens zijn gevangenschap geprobeerd uit de weg te ruimen. Ze hebben hem een bom laten demonteren. Waarschijnlijk dachten ze dat Toon het er toch niet levend af zou brengen. Door zijn verzet was Toon echter vertrouwd geraakt met wapens. 'We krijgen je nog wel hoor', beten de Duitsers hem toe toen het Toon toch was gelukt de bom onschadelijk te maken. Toon zei vaak over de Duitsers, dat ze hem nooit leven zouden krijgen.

*Interview door Roel Kleine met Herman Slurink, over genomen uit de Zwolsche Courant van februari 1995.

Reacties