Verhaal

De lijkkoets van Zwartsluis

Auteur: 
Mw T. Doosje en Mw H. Schraa-Doosje

De lijkkoets is in 1930 aangeschaft onder burgemeester De Koning. Ze was eigendom van de Gemeente Zwartsluis. De koets was waarschijnlijk afkomstig uit de provincie Groningen en is per spoor in delen naar Meppel vervoerd. Hier moest het geheel weer in elkaar gezet worden. Waarna het paard er voor kwam en naar Zwartsluis werd gereden In Zwartsluis werd de koets ondergebracht op het erf van de heer Gerrit Doosje aan de Zomerdijk in een hiervoor gebouwde schuur. Hij kreeg voor de stalling f 50,- per jaar.'

De koets was zwart met grijze randen. Ze had zwarte kleden rondom' glad aan de zijkanten en gedrapeerd in het midden. Ook had de koets twee lantaarns. De paarden drogen zwarte kleden. In het begin waren het korte, later werden ze vervangen door lange kleden. De paarden hadden oogkleppen en pluimen. De hoeven werden voor elke begrafenis schoongemaakt en daarna glanzend zwart geverfd' De paarden moesten geheel zwart zijn.

Als het de begrafenis van een volwassen persoon betrof waren de dragers  en de koetsier geheel in het zwart. Was het een kind, dan hadden de dragers witte handschoenen en een witte pochetten. De route ging altijd door de Kerkstraat via de Dwarsstraat naar het Singel. Voor de hekken van het kerkhof werd stilgehouden en de kist van de wagen genomen. Hierna ging de koets verder tot de Van der Meulenstraat, daar werd gedraaid en vervolgens teruggereden naar de Zomerdijk. Het paard voor de koets was eigendom van Gerrit Doosje. Deze was ook de eerste koetsier.

Betrof het een dure begrafenis dan werd er een tweede paard geleend van Gerrit Krabbe of Harm Boxum. Er waren zes of zeven dragers. Eén liep voor de stoet uit. Waarschijnlijk werd mevrouw L. Doosje als laatste begraven met de koets, in 1962. De tarieven voor de koetsier en dragers waren in het begin f 4,- als het een goedkope begrafenis was, en f 6,- voor een dure.

Verschillende mensen zijn drager geweest, o.a. Piet ten Wee, Andries Peuk, Flip van Echten, Hr. Schoonewelle, Karst van Veen Thijs Stam, Wolter Doosje, Theunis Hoogeveen, Ab Driezen,  Hr. Krabbe. Als de vaste koetsier verhinderd was werd deze vervangen door: Jacob Doosje of Hendrik Braamskamp, Wolter Doosje en Gerrit Krabbe.

Noot:

Als begrafenisstoet passeerde, mocht je niet op straat vertonen van vader of moeder. Of anders stelde je verdekt op. Als eerste zag je een man zwart gekleed, de paarden met oogkleppen en zwarte kleden er overheen tot haast op de grond. Daarna de koets met hoog op de bok een koetsier die een zwarte hoed draagt en een jas behangen met zilver of wat er op leek. Naast de koets lopen stijve mannen in stijve pakken, een dorre verzameling ‘gebogenen’. Dan komt het voetvolk. Meetal nabestaanden en kennissen. In donker grijs tot zwart één en al troosteloosheid. Gebiologeerd keek je dan in gepaste stilte toe een beeld etst zich op het netvlies.

Een lijkkoets werd vóór 1800 alleen gebruikt voor de hoogste klasse. De meeste doden werd per draagbaar naar het kerkhof gebracht. Het aantal lijkkoetsen nam in de negentiende eeuw snel toe toen begraafplaatsen buiten de steden werden aangelegd. Koetsen waren er in verschillende klassen, de meest luxe was de 1ste klasse staatsielijkkoets. In Nederland zijn er nog maar twee van bewaard gebleven.

Sinds kort is het in Zwolle en omgeving mogelijk bij een uitvaart gebruik te maken van deze ouderwetse lijkkoets. Een wel heel bijzondere manier van rouwvervoer. De koets ook al eens ingezet voor een de voormalige boer een passende en sfeervolle uitstraling.

 

Reacties