Verhaal

De eerste wijkverpleegster in Zwartsluis

Auteur: 
H. Koppers-Veldkamp (1889 - 1957)

Het was op 15 oktober 1918 toen ik op een morgen om ongeveer half elf uit de tram stapte om hier in Zwartsluis mijn werk als wijkverpleegster te beginnen. lk was vol goede moed, kwam zo uit een groot stadsziekenhuis en had veel zin om hard aan het werk te gaan.

Dat kwam echter wel een beetje anders uit en in het begin dacht ik vaak ”wat ben ik begonnen”. De kwestie was deze: sinds 1905, dus 13 jaar, bestond de Vereniging “Het Groene Kruis”. Wanneer de leden van Het Groene Kruis ziek waren, kregen ze indien nodig, versterkende middelen zoals melk, eieren, vlees of vis. Hier werd door velen dankbaar gebruik van gemaakt. Immers, men betaalde ervoor en daarom had men er recht op en dus was het niet een soort bedeling. Zo kon men deze artikelen zonder een soort van minderwaardigheidsgevoel met een gerust hart aanvaarden en kwam een en ander vaak mooi van pas.


Verder was er een magazijn met veel artikelen die nodig waren in geval van ziekte; alles werd keurig onderhouden en deze bevonden zich in een onbewoond huisje. Het bestuur van “Het Groene Kruis” begon dit alles zo langzamerhand toch als onvolledig te voelen en er kwam behoefte aan een wijkverpleegster. Hier zullen wel veel besprekingen en vergaderingen over gehouden zijn. Vooral het salaris van de Zuster was een moeilijk punt. Dit moest gevonden worden in de inkomsten van "Het Groene Kruis”. Men besloot tenslotte om de levensmiddelenvoorziening af te schaffen om zo het salaris van de Zuster te kunnen betalen. De leden waren het er echter voor een groot deel niet mee eens en toen er dus een wijkverpleegster benoemd werd, bedankten velen als lid van “Het Groene Kruis”. U begrijpt dat ik in Zwartsluis dus lang niet met open armen werd ontvangen.


En zo kon het gebeuren dat ik met al mijn werkdrift begon met één patiëntje aan de Zomerdijk. Deze moest ik twee keer per dag dan indruppelen en schoonmaken. Dat was alles wat ik de eerste dagen te doen had. Zo langzamerhand kwam er een enkele patiënt bij. De mensen wisten niet wat ze met een verpleegster moesten beginnen. Zo liep ik op een keertje een rijtje vrouwen voorbij op de Paal- en Plankendijk. Toen hoorde ik ze tegen elkaar zeggen "wat moet je nou met zo’n mens; ze komt je huis binnen, haalt lakens en slopen van bed, gooit er alles schoon op en dan zitje met de bende”. Zo ongeveer was dat gesprek. Ze spraken echter niet uit ervaring en daarom waren ze dan ook erg verwonderd wanneer ik bij iemand geroepen werd met het oog op de zeepdistributie (het was 1918) heel zuinig was met linnengoed; was de patiënt erg ziek, dan was hij na afloop zeer dankbaar voor de hulp. Maar voldoende werk had ik niet.


De oorzaak dat dit plotseling veranderde was zeer droevig. De Spaanse griep die elders al zoveel slachtoffers had geëist, deed op het alleronverwachts ook in Zwartsluis zijn intrede. Er waren gezinnen waar twee, zelfs drie doden werden uitgedragen. Mijn patiëntental steeg met de dag. lk heb toen veel mensen kunnen helpen die dan ook zeer dankbaar waren voor de deskundige verpleging die zo heel anders was dan wat ze er zelf van terecht brachten.

Zo wilde een heel eenvoudige vrouw me een briefje van tien gulden geven; dat was toen veel meer dan nu. Toen ik dit niet wilde aannemen, zei ze "doe het dan maar in de collecte”, want ze was zo heel blij met de hulp aan haar kinderen bewezen. lk zei toen ”welaan, dan doet u dat zelf maar in de collectezak”. 

Een herstellende oude man gaf me als dank een klein stukje krantenpapier waarin een kwartje was gewikkeld. Ik had dan vaak moeite de mensen ervan te overtuigen dat "Het Groene Kruis” heus wel voor mijn salaris zorgde. Evenwel bleek hieruit vaak heel duidelijk dat men een goede verpleging boven de voorheen verstrekte levensmiddelen waardeerde.


De verpleging zelf was vaak heel moeilijk doordat de meeste patiënten in bedsteden lagen die vaak zo hoog waren dat ik er met een klein opstapje pas bij kon. Een patiënt met longontsteking bijvoorbeeld was in die dagen niet met een paar tabletjes genezen zoals tegenwoordig. Zo’n patiënt was toen een dag of tien of langer meestal zeer ernstig ziek en in zo’n bedstede moeilijk te helpen. Een enkele keer lukte het mij zo iemand in een ledikant te krijgen; dat was dan wel veel gewonnen, maar toch lang niet ideaal. Zo’n krulijzeren ledikant was heel laag bij de grond en er was geen verende spiraal in. Dit is zo maar een enkel geval dat ik hier opnoem.

Moest een zieke vervoerd worden naar een ziekenhuis, dan ging dat per rader-brancard in liggende houding. De brancard werd in de goederenwagen van de tram gezet en zo ging het dan naar Zwolle of een andere plaats. Ook ging ik op deze wijze wel eens een patiënt per boot vervoeren. De brancard met de zieke erop werd dan in het ruim neergelaten. De patiënten die konden zitten werden meestal per rijtuig naar de plaats van bestemming gebracht. Een patiënt ging op deze manier eens naar Hoogeveen. ‘s Morgens 8.00 uur vertrek uit Zwartsluis en ongeveer 12.00 uur in Hoogeveen. Het kostte veel tijd, maar als de patiënt de tocht goed kon volbrengen, was het niet ongezellig.


In Zwartsluis waren in die tijd ook al twee doctoren. Dokter Van Dalen was aangesteld voor het personeel van de tram Zwolle-Blokzijl en de gemeentegeneesheer was dokter Bolhuis. Deze laatste had ook een goede kijk op het werk van de wijkzuster. Hij dacht ongeveer zo: ”waar de zuster komt heeft men mij in veel gevallen niet meer nodig”. Niets was echter minder waar dan dat. Wel nam dokter Bolhuis mij het werk uit handen, maar tenslotte ben ik dat eens met hem gaan uitpraten. We kwamen toen tot beter begrip van elkaars werk en daarna was de verstandhouding prima en hebben we heel prettig samengewerkt.

Ander soort moeilijkheid. lk was op een morgen een moeder van een gezin aan het helpen die ernstig ziek was. Er stond een deur op een kier naar een ander vertrek en daar hoorde ik de heer des huizes tegen een ander vertellen hoe fijn zijn vrouw toch wel door die liefdezuster werd geholpen, maar ja, aan het huiswerk deed ze helemaal niets; dus dat was wel weer een teleurstelling. Zo was er een diaken die dacht dat ik bij alle alleenwonende oude mensen mooi ‘s morgens even het huiswerk kon verrichten. Hij stelde zich dat ongeveer zo voor dat ik ‘s morgens gewapend met stoffer en blik, dweil en emmer achter op de fiets de ronde zou doen. Dus ook al weer een tegenvaller, maar wel komisch.


Er is sindsdien in onze plaats geweldig veel ten goede veranderd in het werk van “Het Groene Kruis”. Om te beginnen werd het magazijn verplaatst naar het zogenaamde ziekenhuis in de Baanstraat. In de ene helft werd het magazijn dat zo langzamerhand met meer moderne artikelen werd aangevuld, ondergebracht. Zeer belangrijk waren de hoge ziekenhuisledikanten met spiraalmatrassen.

In de andere helft woonden een paar oude mensen in een groot vertrek. Het kon gebeuren dat in datzelfde vertrek een onverzorgde zieke werd ondergebracht zoals Beneboer en Bloemenbarta die ik mij er het best van herinner. Nadat Jongman en zijn vrouw waren overleden, kwam die grote kamer geheel ten behoeve van “Het Groene Kruis”. Hierin werd na verloop van tijd een hoogtezon geplaatst waar zeer velen vooral in de eerste tijd een druk gebruik van maakten. Alles en allen moesten toen onder de hoogtezon; vaak met zeer goede resultaten. Ook het zuigelingenbureau is hier nog een tijd ondergebracht. Een ware uitkomst voor Zwartsluis.

*Dit verhaal van en over mevrouw H. Knoppers-Veldkamp is eerder gepubliceerd in de Sluziger Kroniek nr. 47, april 2006 van Historische Vereniging van Zwartsluis

Reacties