Verhaal

Café ’t Vischje in Zwartsluis

Zo’n honderd jaar geleden waren er in Zwartsluis wel 25 cafeetjes. Dat waren huiskamercafeetjes, waar geschonken werd naast andere nering, zoals een winkeltje of visserij. Er waren beruchte cafeetjes bij, zoals 't Vischje in het Buitenkwartier van Piet en later Evert Mastenbroek.

Op oudejaarsavond in 1892 werd in het Buitenkwartier, na een soort opstand, een Sluuziger genaamd Atze Cornelis Blei, doodgeschoten door een diender. Wat was er nu precies gebeurd? Engel Weijs is in de archieven gedoken en hij heeft uitgezocht wat er aan de moord vooraf is gegaan.

In het nu volgende verhaal komt café ’t Vischje zelf aan het woord.

 

 

Café ’t Vischje vertelt

Aaaaah..... ik ben een oud café. lk kraak in mijn voegen en binnen in mij zwoegen en zwelgen de mensen. Mijn levende ingewanden. lk sta niet in een beste buurt, nee, neenee… lk sta hier in het Buitenkwartier. De naam zegt het al, niet binnen het kwartier, maar er buiten. Buiten het dorp als een verstotene. Ver weg van het groot en deftig volk, dat in de ”Sluus" pronkt in grote huizen, ja jaja... Daar zijn ook de betere cafés, zoals die van Bezoen aan het Singel, of van Schrijver aan den Dijk. Met een echte gelagkamer, met een koperen pomp, een veranda ervoor en een bovenzaal, voor bruiloften en partijen van het deftige volk. Partijen en bruiloften, nee, neenee..... die Worden hier in het Buitenkwartier niet gevierd. Ons volk heeft geen geld voor een feest en is er ook niet voor in de stemming om wat te vieren. Hier valt niets te vieren. Ze noemen mij café ‘t Vischje. Mijn volk is schippersvolk, van daarginds, van de scheepjes in de Whaa. Een armetierig volk met een botter, een pluut, een schuit, een punter en soms een klein huisje hier beneden aan het Lageland. Je weet het wel, zo'n varkenshok waar ze met dertien/veertien man in rondkruipen, want kinderen maken ja, jaja…, dat kon dat volk nog beter als ratten.

 

 

De kleine kinderen, drie/vierjaar oud, slenteren hier voor mij langs over straat, op een halve klomp of blote voeten en wie van wie is, mag je raden... lk ben ’t Vischje. Geen VIS, nee, neenee…, geen dure Steur of Zalm, maar een armetierig Vischje, een Spiering voor armetierig volk, dat hier zijn laatste centen komt verdrinken met bitter of jenever, om het knagen van de lege maag te dempen. Voor wat vergetelheid.

 

Ooh…, wat heb ik hier al veel ellende gezien, zoals messentrekkerij en flessentrekkerij hiervoor op straat of binnenin mij, met joelend vrouwvolk voor de deur en huilende kinderen aan de rokken. Armoede, barre, barre armoede. Vooral ‘s winters als er niets gevangen werd. Maar ja…, ik ben 't Vischje. Het enige wat ik kan doen, is stil zijn en zwijgen en wachten, wachten, jaar in en jaar uit… Of het ooit beter zal gaan…

 

 

Maar nu, deze winter is het heel erg. Het is anders als anders. Er broeit hier wat onder het volk. Het is vooral het jonge volk, de jonge vissers, die met hooibroei in de ogen rond de bar hangen. De kaarten blijven onaangeroerd, wat van de fles niet gezegd kan worden.

Er wordt met harde stem gepraat, wat veelal uitloopt op geschreeuw, getier en getimmer op de bar. Er is ook met het weer iets aan de hand. Het was al een zomer van niets en een herfst met veel regen en storm. Deze winter keert zich vierkant tegen het schippersvolk. Het vriest al weken, de botters lagen vroeger dan ooit tegen de wal in de Whaa, omgeven door een dikke laag ijs.

Het geld van de schrale zomervangst is al lang op. Het volk kan geen kant op. Hoe lang gaat dit duren? Het begon een kleine twee maand geleden. Het begon met een vonkje en als ik het goed heb draait het hier in het Buitenkwartier uit op een grote brand. Er was een verloting geweest op het gemeentehuis voor de militaire dienst.

 

 

lk hoorde dat er uit het Buitenkwartier negen jonge kerels, varensgezellen en zonen van vissers, ingeloot waren voor de dienst. En ze waren niet op komen dagen… Vanuit het gemeentehuis was er een dreigbrief gebracht, van de commissaris van de koningin: het schippersvolk had zich moeten melden, maar schitterde door afwezigheid.

Diezelfde avond was het getier in mijn ingewanden. Het jonge volk ging tekeer als gekken, ze pochten en bluften. De commissaris van de koningin, de kolonel van de politie, ze mochten allemaal dood vallen. Voordat een visserman onder de wapens ging! Zeker niet als de dooi zou invallen en er weer wat te vangen viel. Opdraven voor de regering, om voor een appel en een ei als militair te dienen, terwijl de botters hier werkloos in de Whaa zullen liggen, nee, neenee, nee…, ze vertikten het ten enenmale in deze slechte tijd. Als ze onder de wapens moesten, nou, dan zouden ze hen allen met wapens moeten halen, HIER UIT 'TVlSCHJE.

Mijn muren beefden. Dit leek niet best. Het was niet alleen de militaire dienst. Er was nog veel meer aan de hand waardoor de schippers zich verzetten. Wiele had om vrijstelling gevraagd, maar niet gekregen. De vissers moesten nu ook nog een verplichte keuring ondergaan voor cholera. Iedereen die op de Zuiderzee vist, moest zich in Hoorn melden om de keuring te ondergaan. Zonder een vrij van cholera verklaring mocht men niet meer vissen.

 

 

En als dat nog niet genoeg was, kwam de gemeentesecretaris hier met opgestreken zeil binnen vallen met een boodschap van de burgemeester: Er was een Visserij Petitie uitgevaardigd door de minister. Alle vissersboten moesten onderscheidingstekens dragen. Registreren. De vloot in de Whaa moesten letters en cijfers hebben, zoals ZS 1 tot en met ZS 16.

Ja, jajaja… Regels, regels, het regende hier van de regels. Het was afgelopen met het vrije leven. Plichten, dit moest, dat moest. Maar zie, vissers in de koudste tijd van de winter hadden nergens recht op. Recht op een lege maag, ja... Leeg, anders niet. 

Nu is het begin december en ik heb gehoord, dat drie van de negen vissermannen zich weer niet gemeld hebben na het dreigement van de regering. Iemand van Moes, van van Veen en van de Jonge. Er is weer een brief gekomen van het ministerie. Als ze op 28 december zich niet melden in Almelo, dan worden ze onder politiebegeleiding uit de "Sluus” gehaald en in Zwolle achter de tralies gezet.

Er wordt hier in het Buitenkwartier nergens anders over gepraat. Het dreigen met de gevangenis heeft de sfeer er niet beter op gemaakt. Gisterenavond hebben de jongelui voor de zoveelste keer met grote stenen gegooid. De porseleinenpotjes aan de telegraafpalen in het dorp, hebben ze stuk voor stuk vernield. Al joelend en schreeuwend trokken ze van paal naar paal. Frans en Sieben, de plaatselijke dienders, lieten zich niet zien. Ze zeiden dat Frans het dun in zijn broek deed en dat hij het Buitenkwartier niet meer in durft. Bang om een steen tegen zijn hoofd te krijgen. Ze zeggen dat Frans een aanvraag heeft gedaan om een vuurwapen te mogen dragen. Nou DAT zal helpen als Frans hier met zo’n blaffer aan zijn riem op straat verschijnt.
Het jaar loopt ten einde. De dienders Frans en Siebert hebben hun wapentuig gekregen, met de opdracht van hogerhand om zonder pardon te schieten, als het vissersvolk in de "Sluus" zich niet rustig houdt. Er wordt al wel weer gevochten.krantenschrijver, zo'n leugenbeest, zo’n pennelikker uit Zwolle nu van het leven in het Buitenkwartier. lk weet er alles van. lk ben een oud café, ik ben ’t Vischje en ik praat er niet over.

Stil zwijgen en wachten. Wachten tot het beter wordt. Dat doe ik.....

 

Dit verhaal uit het Gaellemunigers is vertaald door Jo Appelo-Slurink en de inleiding is van Geke Mateboer. Het is eerder gepubliceerd in Sluziger Kroniek nr. 73

 

Reacties