Verhaal

Blauw bloed in Zwartsluis

Auteur: 
R.D. Leenman

In het westen van Frankrijk, ruim 30 km. ten zuiden van de Loire, ligt aan het riviertje de Thouet het stadje Thouars. Reeds omstreeks 1400 woonde hier het adellijke geslacht Le \/asseur de Congnée de Thouars. In dit artikeltje zal blijken wat het verband is tussen deze Franse familie en Zwartsluis.

In het midden van de vorige eeuw heeft een afstammeling van deze familie in Zwartsluis gewoond en er drie kinderen gewonnen. Het was ons volledig onbekend, maar uit de tienjarige geboortetafels bleek de juistheid van deze gegevens. Kort hierna kwamen we in het jaaroverzicht van het blad ”Overijsse|s Contactbericht” de opsomming tegen van artikelen verschenen in historische periodieken.

Het is niet zo’n bijzonder feit, dat een Franse familie zich in het verleden in Nederland vestigde. De namen van veel personen bewijzen het. In eerste instantie is men geneigd te denken aan de opheffing van het edict van Nantes in 1685, waardoor de Protestanten in Frankrijk hun godsdienstvrijheid verloren en velen naar de Republiek vluchtten. In het geval van de Thouars ligt de zaak anders. Omstreeks 1620 vestigden zich twee vertegenwoordigers van dit geslacht in Nederland om in de beroemde Krijgsschool van Maurits en Frederik Hendrik tot officier te worden opgeleid. Ze keerden niet terug. We zullen de lezers niet vermoeien met de uitvoerige genealogie van de Thouars, maar onze aandacht richten op het echtpaar dat in Zwartsluis terecht kwam.

Het waren Marc Antoine de Thouars, geboren 20-7-1817 te Deurningen, een dorpje onder Weerselo ten oosten van Almelo, en zijn vrouw Johanna Frederika Kern, geboren 28-2-1823 te Dalfsen uit Johan Jacob Kern en Johanna Werlingshof. Bij de geboorte-inschrijving van de kinderen gaf de vader het beroep van landsambtenaar op. De functie wordt niet nader omschreven, maar hij heeft dus een overheidsbetrekking bekleed.

Hier volgen de geboorten:
6-11-1844 Maria Constantina Wilhelmina Jacoba Paulina, getuigen: Willem Tengnagel, 51 jr, gerechtsdienaar en Jan Hendrik Denks, 42 jr, gepensioneerd sergeant.
8-1-1847 Willem Johannes Antonius, getuigen: Peter Wolters Bos, 60 jr, huistimmerman en Bernardus Jacobus Koopman, 44 jr, plattelandsheel- en vroedmeester. Deze zoon overleed te Deventer in 1854, nog maar zeven jaar oud.

14-8-1849 Coenraad Frederik Julius, getuigen: Nettert de Jonge, 46 jr, arbeider en Albert Meesters, 45 jr, arbeider. Deze zoon werd beroepsmilitair en overleed in november 1919 te Arnhem. Hij verkreeg de Militaire Willemsorde.

Uit het overlijden van het tweede kind en de geboorten van latere kinderen (ze kregen er 9, waarvan 8 jongens) is op te maken dat hun verblijf in Zwartsluis van korte duur is geweest. Van Deventer verhuisde het gezin naar Olst (1859) en in 1866 naar Dalfsen, waar in dat zelfde jaar beide ouders overleden. Vele Thouars hebben in Overijssel gewoond. We noteerden: Kampen, Delden, Weerselo, Singraven (Kasteel bij Denekamp), Zwolle, Oldenzaal, Dedemsvaart, de Lutte. Door allerlei huwelijken raakten de Thouars geparenteerd aan Nederlandse adellijke geslachten. Rijk waren ze niet, doordat hun Franse bezittingen door Lodewijk XIV werden geconfisqueerd.

Verscheidene leden hebben als officier gediend in de Staatse legers. Zo bracht de grootvader van de Sluziger Thouars het tot generaal-majoor onder Prins Willem V.

Tenslotte nog het volgende: Prins Willem van Oranje had als derde vrouw Charlotte de Bourbon, die hem zes dochters schonk. De tweede dochter, Maria Elisabeth (1577-1621) huwde met Henri de la Tour d’Auvergne, duc de Bouillon. De vijfde dochter, Charlotte Brabantina (1580-1631) trouwde met Claude de la Trémoille, duc de Thouars. Uit eerstgenoemd huwelijk werd een dochter Marie geboren, en uit het tweede een zoon, die de naam kreeg Henri de la Trémoille. Ze waren dus neef en nicht. Ze huwden met elkaar. Zo waren nu twee vooraanstaande Franse geslachten, de Bouillon en de Thouars verwant met de Oranjes. De families waren protestants en leden van de Eglise Wallone, de Waalse Kerk.

*Dit verhaal van R.D. Leenman is eerder gepubliceerd in de Sluziger Kroniek nr. 8, april 1993.

Reacties