Verhaal

Bezetting en bevrijding Zwartsluis, 1940-1945

Auteur: 
Jo Kiers †

Op 10 mei 1940 werden wij 's morgens om ca. 5 uur gewekt door enkele hevige explosies in ons anders rond deze tijd zo stille dorp. Het bleken bommen te zijn welke in De Velde waren afgeworpen door een Duits vliegtuig. Er gingen geruchten omdat dit gebeurde omdat dit vliegtuig werd aangevallen door een Nederlands vliegtuig. Anderen zeiden dat het de bedoeling was de bovengrondse telefoonleidingen te vernielen. De bommen zijn gevallen tussen het huls van Van de Berg en het Klooster op het punt, waar een sloot loopt richting Staphorst en de sloot langs de weg naar Hasselt.

Op naar ik meen 11 mei ’s morgens  moesten wij allen ons huis aan de Stationsweg verlaten omdat de Kolksluisbrug werd opgeblazen. Dus vlug enkele bezittingen bij elkaar gepakt en naar een onderkomen in het Buitenkwartier gegaan bij oma Janke van Dorsten-Blei. Er liep zelfs een oude man, (Zuurmond uit de Mastenmakersstraat) met zijn geldkist in de hand richting Buitenkwartier.

Toen we na de explosies terugkwamen, was de vraag wat er over was van  ons huis. Er zaten bijna geen pannen meer op de daken en alle ramen waren stuk.’s Middags kwam er een Duits vliegtuig vrij langzaam en laag overvliegen. Een van de achtergebleven soldaten wou er met zijn geweer op gaan schieten in de hoop de benzinetanks te raken, maar de buurtbewoners verzochten hem dit niet te doen. Mocht dit vliegtuig omdraaien en zijn bommenlast boven Zwartsluis afwerpen, dan was de ramp veel erger.

Naar ik meen op 12 mei vertrokken de militairen richting Vollenhove. Een soldaat, een Fries, wilde nog achterblijven met een mitrailleur, doch deze moest op bevel ook Zwartsluis verlaten. Toen de militairen vertrokken waren zijn ze op de Havendijk bij de bunker gaan kijken. Er lag nog een geweer en enkele dekens. Het geweer werd door vader in het Zwartewater gegooid, de dekens zijn door de Duitsers meegenomen.

Toen 12 of 13 mei de eerste Duitsers per paard arriveerden werden hun ca. 30 paarden gestald bij Zeilmaker aan de Nieuwesluis. Een van de Duitsers ging per paard bij de Kolksluisbrug kijken. Hij liep tussen de ronde blokken (ca. 5 stuks, met ijzeren staven er in door naar het prikkeldraad dat erachter lag. Hij gooide er een draad overheen om te kijken of er ook stroom op stond. Later kwamen de kinderen de Duitsers ook in de Schans. Ze deelden snoepjes uit die wij als kinderen niet lekker vonden. Bij hen was het tegenovergestelde: ze kochten voor hun (nood)geld chocolade en andere snoep in de winkels (o.a. bij Krop, de bakker). Dit bleek hun goed te smaken.

Gelukkig was er genoeg bouwmateriaal in voorraad bij de aannemers, zodat de huizen weer spoedig hersteld werden. Later toen die Duitse boot met vernietigingstroepen terugkwam, zaten we in angst dat ze dit zouden ontdekken en alsnog de brug zouden laten springen. Maar toen ze de schepen in de Kolksluis hadden laten zinken was de Duitse boot toch ineens verdwenen. Hadden ze bericht ontvangen dat de geallieerden in aantocht waren?

De bevrijding

Op 15 april 1945 stonden we met de buren te praten en ons af te vragen: zijn wij nu vrij of komt er nog meer? Zoals ik al eerder schreef, het was mooi en helder, we keken richting Hasselt en meenden dat daar de vlag op de toren wapperde. Dus snel verrekijkers erbij gehaald en ja dat was beslist de vlag. Ze moest bij ons ook op de toren. Maar het hoofd van de binnenlandse strijdkrachten keurde dit niet goed. Je kon nooit weten of er aan de kant van Vollenhove nog Duitsers waren, en als die terugkwamen en er waren geen geallieerden, wat gaan ze dan doen? Maar eindelijk, ik meen tegen half drie, zagen wij iets rijden aan de overkant van het Zwartewater. Dus weer de verrekijker erbij en het bleken gevechtswagens te zijn. Dit konden bijna niets anders dan de geallieerden zijn. Toen even later ook in Genemuiden de vlag uit de toren hing, kon Zwartsluis niet achterblijven. We waren bevrijd.

De dag hierna kwamen er twee carries (carrier draagwagen) de Kerkstraat uitrijden, we waren dol van vreugde. Na enige tijd vertrokken deze, waarheen weet ik niet. (ook niet waar ze vandaan gekomen waren, want de brug bij Beukers zal toch ook wel stuk geweest zijn) Later hoorde ik dat er in de Nieuwesluis ook carries geweest zijn.

Hierna moest de bevrijding gevierd worden. In het brugwachtershuisje naast P. van Veen (later supermarkt Dekker) stonden apparaten, die men kattekoppen noemde. Een platte voet met hierop een ronde buis met een gaatje erin, net een vlaggenmasthouder voor aan de muur. Men zei dat deze vroeger gebruikt werden als er een dijkdoorbraak dreigde, om deze dan af te schieten. Deze kattekoppen werden voor aan de Havendijk gezet, kruit erin en een prop ervoor en nu voorzichtig aansteken. Gelukkig niet met de handen. Het was een enorme knal en toen de damp weg was bleek de kattenkop op in allerlei stukken. De heer Schaapman die de zaak aangestoken had, keek naar zijn broekspijp, waar een heel stuk van afgerukt was. Van de omstanders was gelukkig niemand gewond. De andere kattekoppen heeft men toen maar niet meer gebruikt. Een dergelijk broek was toen een kostbaar bezit.

Het was nu tijd om aan de opbouw te beginnen. Plotseling kwamen er overal schepen vandaan, die zoveel mogelijk waren weggesleept in diverse gaten van het Zwartewater en de trekgaten. Gelukkig voor ons waren er twee schepen met hout voor barakken, die naar ik meen naar Duitsland moesten. De schippers blokkeerden deze plannen. Deze twee schepen werden op de Havendijk gelost. Rijkswaterstaat had nog dikke palen. Deze werden op de hoofden van de trambrug gelegd, planken uit de schepen erover, en de verbinding met de Nieuwesluis was weer klaar. Bij de Staphorstersluis werd een groot blok onder de gesprongen scharnier gelegd en de brug kon zo weer naar beneden gedraaid worden. Een geluk was de sluis volledig intact was. Nu konden de schepen hierdoor van en naar Meppel.

‘s Morgens, 13 april 1945 bliezen de Duitsers, na het vertrek van de troepen uit Meppel de Kolksluisbrug op. Ik liep tijdens het springen op het singel bij de Gereformeerde kerk en de toenmalige kleuterschool, en ik zag stukken ijzer op mij afkomen. Dus vlug achter een boom en daarna vlug naar huis.

Bij de familie Bosman in de Kerkstraat tegenover de toren kwam een ijzeren blok door het dak op de tafel terecht. Bij ons huis aan de Stationsweg lag geen dakpan meer op het dak. Later probeerden mijn broer Egbert en ik de pannen die nog heel in de goot lagen er weet op te leggen. We waren bezig aan de kant van buurman Lassche (later café /slijterij Janssen), toen we hoorden schreeuwen en schieten. We lieten ons in de tussengoot vallen, doch hoorden hier hoe om hulp werd geschreeuwd. Het bleek toen dat Boon, die bij Spiekman voor het huis liep, door de Duitsers in zijn been was geschoten en gewond op straat om hulp riep. De Duitsers lieten hem gewond achter. Boon is daarna naar Vollenhove gebracht waar een noodhospitaal was van de Noordoostpolder. Helaas moest hij zijn been missen.

Deze Duitsers zijn toen via Vollenhove vertrokken. De dag hierna wisten we nog niet of er nog vijanden waren, of tot hoever ze zich hadden teruggetrokken.

Maar plotseling, op 14 april, was er ineens een Duits marinebootje met vijf of zes personen aan boord, die de sluizen en schepen wilden vernietigen. Er waren namelijk schepen op het buitendijkse land gezet (door de schippers), om niet gevorderd te worden. Dit was met hoog water gebeurd. Ze lagen dus nu op het droge. De Mitropa van Boon (niet de gewonde) lag ongeveer ter hoogte van het tolhek. Nu terug naar de vernielingstroepen. Deze haalden een schelpenzuiger van de fa. Doeksen bij de werf van Van Goor en Spiekman vandaan, Een schip van Van Eyken en de Cor, en lieten deze in de sluis en dwars voor de sluis zinken.

Kort tevoren hadden mijn moeder en ik eerst nog enkel deuren verwijderd, die we voor de etalage gespijkerd hadden. Dit was erg gevaarlijk, omdat de Duitsers van deze vernietigingstroepen, die op de sluis stonden, de geweren op ons richtten. Ze zagen"ons gelukkig niet als vijanden, doch het had ook anders gekund. Deze deuren hadden we voor de etalage gedaan omdat iedereen in verband met het springen van de brug de ruiten eruit hadden gehaald. Deze waren bij slager Th. Schraa achter de koelcel gezet waar ze steun hadden. Op deze manier zijn ze heel gebleven tot na de bevrijding en we hadden de ruiten er weer in. (er was immers niets meer, dus ook geen glas).

Na weken met een kapot en lekkend dak te hebben gezeten, bleek er gelukkig bij de "Concordia" (?) in Meppel nog een aantal restanten dakpannen te staan dat juist voldoende was voor ons kleine dak. (Stationsweg 14)

Nu nog iets over de brug bij de Nieuwesluis. Mijn grootvader, Johannes Schoonewelle, woonde naast de brug en had in zijn voorkamer de Duitse bewaking van de brug ingekwartierd. Er waren ook goede Duitsers. Hij sprak wel eens met de soldaten en zei hen dat het zo jammer was dat zijn huis nu weer kapot moest met het springen van de brug. Och, zei toen een van de soldaten, "baasje, ik zal voor je huisje zorgen" waarop mijn grootvader bij mijn moeder kwam met paling (hij was visserman) om deze te stoven voor deze soldaten. Later bleek dat van de brug, die twee scharnieren had er maar een, en wel die aan de Zwartewaterkant kapot was. Maar doordat wij vrij gebied waren en de springstof nog aan de brug zat, moest deze zo snel mogelijk verwijderd worden. (Ik weet niet of dit ook direct is gebeurd).

Joden onder de bezetting

15-04-1941: radio's inleveren.
19-04-1941: J. Hammelburg, Stouweweg 3.
24-04-1941: levert Wolf Aronius zijn toestel in.
28-04-1941: Jacob Aronius.
28-O4-1941: Toestellen naar Groningen.
29-04-1941: Wed. Brest- van Dam, wijk 1 -nr. 194.
24-07 -1942: Fietsen inleveren.
05-08-1943: (woensdag) moet Hammelburg (geboren 05-12-1879 in Nijkerk) naar Ceesbrug, doch hij is ziek. Kan niet lopen naar Vollenhove, wel met de boot naar Meppel.
31-O7-1942: Salomon Brest, Wolf en Aron Aronius in kamp Coenraad aangekomen
17-O8-1942: Aron Aronius (bakker, geboren 30-04-23) naar kamp Ruinen.
18 –O8-1942: Ze zijn overgebracht naar Westerbork
30-11-1942: De Joodse goederen worden opgeslagen in de Joodse kerk per 01-12-1942: o.a. van Wolf en Jacob Aronius Wolf, Klein Lageland 163, Jacob, Westeinde 65.
23-11-1942: zijn de goederen geïnventariseerd door Beumer en Meppelink. De inventarislijsten zijn nog aanwezig.
01-02-1943: Joseph Hammelburg en de wed. Brest zijn nog aanwezig, evenals Rozette Judith Brest (geb. 12-02-24) leerling verpleegster, Salomon Brest (geb.18-08-98) en Saartje Overweg (geb.26-02-1861 te Zwartsluis.) Aronius Wolf, geb.10-08-'l 894, Carolina Potzdammer, geb.02-03-1 923), Aron Aronius, geb. 30-04-23. De woning van Rozette van Dam (wed. Brest en Rozette J. Brest. 12 kamers, 1 winkel, wijk 1 no. 194 is in febr. 43 in handen van J. de Goede. De winkel van Joseph Hammelburg, wijk 2, nr. 3, zeven kamers, 1 winkel is in febr. 1943 in handen van dr. Jansen te Vollenhove.
Op 08-04-43 is Hammelburg naar Vught vertrokken.
Op 16-04-43 is er een lijst met namen van Joden die naar Vught zijn afgevoerd o.a. Joseph Hammelburg, Stationsweg 3, Saartje Overweg, Rozette van Dam (wed. Brest, geb.07-05-1871 te Groningen), Stationsweg 194.
Op 20-04-43 is door Meppelink het huis van Hammelburg leeggehaald, op 19-04-43 dat van Brest.

Reacties